Kosovo kan herhaling van illusies worden

De Nederlandse betrokkenheid bij het reilen en zeilen op de Balkan dateert niet uit de tijd van het Srebrenica-debacle maar is zo oud als deze eeuw, vindt Jan Bank. De Balkan is een permanent doelgebied geweest van onze ambities, ook al bestaat er geen vanzelfsprekende oorzaak voor in de vaderlandse geschiedenis. En voorlopig komt er aan die betrokkenheid geen eind.

Opnieuw is er crisis op de Balkan: de gebeurtenissen in Kosovo staan op de voorpagina's. Opnieuw is er sprake van uitzending van Nederlandse waarnemers en Nederlandse militairen naar dat gebied. En dat is niet voor de eerste keer. In de geleidelijk afstervende eeuw is de Balkan een permanent doelgebied geweest van Nederlandse ambities van de meest uiteenlopende aard. Van vredesmissies en militaire expedities, van utopieën en exotische avonturen. Voortekenen in Kosovo wijzen erop, dat die betrokkenheid zich nog wel tot de volgende eeuw zal uitstrekken.

De crisis in Kosovo is een goed voorbeeld van het type conflict dat dit deel van Europa in de twintigste eeuw teistert. Twee volkeren, de Albanezen en de Serviërs, strijden met elkaar over de politieke souvereiniteit van dit gebied. Een internationale coalitie moet interveniëren om een vreedzame oplossing te vinden. Sinds het Ottomaanse rijk rond de eeuwwisseling van de Balkan is verdreven, zijn zijn voormalige onderdanen slaags met elkaar geraakt over de vorming van staten en het trekken van staatsgrenzen. De Turkse administratie had zich nuttig gemaakt in het onder controle houden van een gebied, dat een veelvoud kent aan nationaliteiten. In de Balkanoorlogen werden zij teruggeslagen tot een provincie vóór Istanbul. Sindsdien hebben de grote mogendheden (zoals de Donaumonarchie) of internationale coalities zich verplicht gevoeld orde op zaken te stellen.

De Balkan is vooral een continentaal, Europees achterland, ook al zijn er toegangen op de kust van de Adriatische Zee. Voor Nederland met zijn maritieme verleden was een kennismaking met dat deel van Europa geen vanzelfsprekend hoofdstuk in de vaderlandse geschiedenis. Zijn economische belangen waren daar beperkt van omvang. Aan het begin van de eeuw waren ze geconcentreerd in de olievelden in Roemenië voor zover die door de Koninklijke Shell werden geëxploiteerd.

Cultureel was het gebied ook al een onbekend gebied. Het calvinisme in Hongarije en Transsylvanië stond in verbinding met geestverwanten in Nederland; er waren oude banden met de theologische faculteiten in Leiden, Utrecht en Franeker. In de Hongaarse stad Debrecen wordt Michiel de Ruyter met een monument geëeerd omdat hij Hongaarse geloofsgenoten had gered uit handen van de Turken. Maar daarbuiten bestaan ook nog de mystiek ogende Slavische orthodoxie, de dominante godsdienst, en een katholicisme van Zuid-Europese snit en de Islam. Een vreemde wereld.

De eeuw begon met de Balkanoorlogen. De Ottomaanse heerschappij over de Balkan kreeg de genadeslag, maar dat betekende ook dat stammen, die zich van het Turkse juk hadden bevrijd, vervolgens elkaar bestreden. Dit `Oostersche' tumult werd in Nederland op grote afstand gadegeslagen, maar er zijn ook tekenen van hulpbetoon. Het Nederlandse Rode Kruis stelde een ambulance samen, met als prominente hoofdverpleegster de dochter van Abraham Kuyper, Henriette. De medische groep werd in november 1912 op weg naar het Oosten uitgezwaaid door de minister van Oorlog, Hendrikus Colijn.

De verre oorlog kwam plotseling dichterbij, toen de Internationale Contrôle Commissie voor Albanië, bestaande uit zes grote Europese mogendheden (de Verenigde Staten spelen nog geen rol op de Balkan), een beroep deed op Nederlandse officieren om in dat land een gendarmerie te vormen en te oefenen in de handhaving van orde en rust. De aandrang onder officieren om zich op te geven bleek groot, want hier bood zich een kans op ondernemingslust in een door de neutraliteitspolitiek vooral afwachtend leger. Uiteindelijk vetrok begin 1914 een dertigtal Nederlandse militairen naar Albanië om zich in dienst te stellen van de Duitse prins Wilhelm von Wied, die als koning, mbret, het nieuwe Albanië zou moeten leiden.

De publieke opinie in het vaderland reageerde met instemming en grote verwachtingen. Ook de Franse gezant toonde zich tevreden want hij zag in de missie de voorbode van een herleving van de militaire geest in Nederland; een welkom reveil in een tijd van grote spanningen. Aan waarschuwende woorden ontbrak het overigens ook niet. De Turkse correspondent van de NRC wees een onwetende publieke opinie in Nederland op tegenstellingen tussen Albanese clans en voor de risico's vanwege de islamitische geloofsijver. Op 15 juni 1914 sneuvelde in een onduidelijk gevecht een van de officieren, majoor L.W.J.K. Thomson, die niet alleen een reislustig militair attaché was geweest maar ook nog eens lid van de Tweede Kamer voor de liberalen.

De schok was groot. De euforie sloeg om in een collectief zelfverwijt. Albanië was dit Nederlandse offer niet waard, schreef oud-minister De Beaufort in zijn dagboek. ,,Wanneer de zelfvoldoening over de dappere houding onzer officieren tot bedaren zal zijn gekomen, zal men gaan beseffen dat het een roekeloos en niet wel te verantwoorden bedrijf is geweest onze flinkste officieren naar het Albaneesche wespennest te zenden.'' Het oorlogsschip Noord-Brabant kwam Thomsons lijk ophalen, waarna de majoor de begrafenis van een held kreeg in Groningen en een standbeeld in Den Haag. Dat waren de vaderlandse herinneringen in juli 1914 toen elders in Europa zomergasten werden opgeschrikt door de schoten op de Oostenrijkse kroonprins in Sarajevo, de aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog.

De volgende militaire expeditie vanuit Nederland kwam bijna dertig jaar later op de Balkan aan; naar schatting tweeduizend vrijwilligers in het uniform van de Waffen-SS. Zij werden ingezet om een nazi-orde in dit gebied mee te helpen handhaven. De Nederlanders maakten deel uit van de SS-Freiwiligen Panzer Grenadier Brigade `Nederland', die verder een groot aantal Duitse immigranten in Roemenie telde en Duitsers. De naam `Panzer Grenadier' wijst op gemotoriseerde infanterie. De brigade kende twee regimenten. Het ene werd genoemd naar de in 1943 door het Nederlandse verzet gedode generaal H.A. Seyffardt, commandant van het vrijwilligerslegioen, de andere landmachteenheid naar een zeeheld `De Ruyter'. In augustus 1943 werd de brigade naar de Duitse satellietstaat Kroatië overgeplaatst om daar, in de omgeving van Zagreb, de militaire opleiding te voltooien en in het voorbijgaan het gebied te beveiligen tegen aanvallen van de partizanen van Tito.

De strijd tegen deze partizanen bestond volgens de historicus In 't Veld uit schermutselingen; nu eens twee doden, dan weer een paar lichtgewonden. In het heuvelachtige gebied rond Zagreb was ook niet de kern van partizanenacties voorzien. De Nederlandse vrijwilligers, een samenraapsel van idealisten en criminelen, bleken in de bestrijding pas betrouwbaar na een fikse SS-training. Er zijn geen feitelijke bronnen beschikbaar over mogelijke oorlogsmisdaden, door Nederlanders gepleegd. Maar het doodvonnis tegen brigadecommandant Wagner, door de Joegoslavische justitie in 1947 uitgesproken, is veelzeggend. Eind december 1943 werd de SS-brigade `Nederland' overgeplaatst naar het front bij Leningrad. De meeste Nederlanders vonden twee maanden later de dood in een bruggenhoofd aan de rivier de Narwa.

Een volgende generatie van Nederlandse vrijwilligers meldde zich in 1947. Zij kwamen met een geheel ander doel: een bijdrage tot de wederopbouw in een door communisten geordend Joegoslavië. Daartoe vormden zij een brigade, die genoemd werd naar Gerrit van der Veen – geen zeeheld dus maar een verzetsheld. In de eerste periode lag het initiatief voor dit jongerenleger bij het communistische Algemeen Nederlands Jeugd Verbond (ANJV). Maar in 1948 werd het Joegoslavië van Tito door de Cominform, de communistische internationale, in de ban gedaan wegens een nationale politiek; eigenzinnig ten opzichte van het machtsmonopolie van Stalin.

Door zijn verbanning werd deze Balkanstaat vervolgens een communistisch alternatief voor het stalinisme. Het was een Europees voorbeeld in de rij van communistische staten zoals Cuba en Vietnam, die een minder rigide beeld te zien gaven dan het sovjet-communistische. Joegoslavië bleef progressieve jongeren trekken voor de zomerse wederopbouw. De politieke tekenaar Fritz Behrendt was in 1947 een van de eersten. Hij belandde dan ook voor zijn titoïstische sympathieën in een Oostberlijnse gevangenis en genas er van het communisme. Relus ter Beek was in 1963 een van de laatsten. Hij zou als minister van Defensie twintig jaar later de politieke verantwoordelijkheid nemen voor uitzending van Nederlandse militairen naar Bosnië, in het bijzonder Srebrenica.

De derde fase, weer ongeveer twintig jaar later, is die van de teleurstelling over de behandeling van dissidenten in Joegoslavië na de dood van Tito in 1980. Het kersverse instituut Clingendael gaf in 1985 een studie uit over wat genoemd werd de economische en morele crisis van de Balkanstaat. Een deskundige als Martin van den Heuvel schreef over ,,absurde voorbeelden van politieke en economische verdeeldheid'', die een gevolg waren van de decentralisatie van het land in diverse deelstaten. Broekmeijer nam het onder andere op voor de dissident Vojišlav Sešelj, toen een jong hoogleraar in de sociologie in Sarajevo, die herhaaldelijk was gearresteerd en in de gevangenis werd mishandeld. ,,Schrijver dezes spreekt de hoop uit'', zo eindigde Broekmeijer zijn als gewoonlijk doorwrochte studie, dat noodzaak van democratisering van het land en nationale verzoening in plaats van een voortwoekerende burgeroorlog ,,snel en bloedeloos zullen komen. Het volk heeft al genoeg geleden.''

Die hoop werd niet bewaarheid. Twee jaar later kwam in Servië Slobodan Miloševic aan de macht en nog weer twee jaar later begon in Kosovo de wanorde van een nationalistische burgeroorlog. Sesšelj bleek van dissident een gewelddadige Servische nationalist geworden; in de martelingen van zijn gevangenschap is zijn karakter vermoedelijk geweld aangedaan. In 1991 werd Nederland hardhandig met de realiteit van een bloedige burgeroorlog geconfronteerd: in politiek opzicht als voorzitter van de Europese Unie in het begin van de strijd en in militair opzicht door uitzending van troepen naar het bedreigde Bosnië. Tot dat laatste had de Tweede Kamer besloten, toen zij een debat over vernieuwing van de grondslag van de Nederlandse defensie na de val van de Berlijnse Muur afsloot met een breed gesteunde motie van Maarten van Traa (PvdA) en Thijs van Vlijmen (CDA) in 1993. Dat luidde nieuwe vormen van vredeshandhaving in.

De verdediging van de enclave Srebrenica, de consequentie van deze motie, leek in 1993 een ,,eervolle, niet eenvoudige, maar wel uitvoerbare opdracht'' voor de Nederlandse landmacht. In juli 1995, toen het Nederlandse bataljon het nakijken had in een Servische moord op duizenden in Srebrenica gevangen genomen Bosnische mannen, volgde de ontgoocheling.

Nederland heeft zijn onschuld verloren, schreef de Rotterdamse hoogleraar Henri Beunders. Dat is waar voor wie zijn blik richt op de Joegoslavische burgeroorlog in de jaren '90 en let op de omvang van de genocide. Maar was deze ambitie van vredeshandhaving niet een herhaling van eerdere illusies? Kwam niet eerder na de euforie de teleurstelling?

Prof.dr. J.Th.M. Bank is hoogleraar in de vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Dit is het eerste deel in een serie waarin auteurs uit verschillende disciplines hun licht laten schijnen over de afgelopen eeuw.