Keuze van een mecenas

Eén van de blikvangers in het Gentse Museum voor Schone Kunsten is het Portret van een kleptomaan, geschilderd door de Franse schilder Théodore Géricault. Het werk werd in 1908 gekocht door de `Vrienden van het Museum', waarvan Fernand Scribe (1851-1913) voorzitter was, en hangt nu op de tentoonstelling De vrienden van Scribe. Die tentoonstelling schetst het smaakbeeld van Scribe en zijn kunstminnende omgeving aan de hand van schilderijen, sculpturen en tekeningen die gemaakt zijn tussen het begin van de 19de eeuw en de Eerste Wereldoorlog.

Fernand Scribe was een cruciale figuur voor dit museum, dat voor zijn bemoeienissen een slapend bestaan had geleid in bovenzalen van de plaatselijke academie. Zo'n dertig jaar lang zou hij zijn stempel op het verzamelbeleid drukken, aanvankelijk onder meer door zijn rol in de organisatie van de driejaarlijkse Gentse salons, vanaf 1897 ook als voorzitter van `De Vrienden van het Museum', een vereniging die op zijn initiatief was opgericht. Hij was amateurschilder, verzamelde oude en moderne kunst, schonk af en toe stukken aan het museum, en legateerde bij zijn overlijden in 1913 zijn hele collectie aan de stad. De vrienden toont wat Scribe schonk of legateerde, naast kunstwerken die het museum ontving van verzamelaars uit zijn vriendenkring, of die er door zijn ijverige bemiddeling terecht kwamen. Er is ook werk te zien van kunstenaars die gewoon belangrijk waren voor Scribe.

Op die laatste groep na komt alles uit de Gentse museumverzameling, wat meteen ook de gelegenheid biedt om uitvoerig in de collectie te grasduinen, van de romantici tot de kunst rond 1900. Pronkerige salonstukken, monumentale landschappen, exotische impressies, portretten van burgers en schilderingen van het gewone volk zijn uit het depot gehaald, veel werken zijn speciaal gerestaureerd, inclusief hun authentieke lijsten.

Wat selecteerden Scribe en co uit de kunst van hun tijd? Niet het geavanceerdste, zo blijkt. Zelf verzamelde Scribe vooral Franse en Belgische kunst, opvallend veel landschappen ook, maar de ongetemperde kleurtoetsen van Monet ontbreken, of schemeren half door bij een generatiegenoot als Armand Guillaumin. Scribe kocht wel Barbizon-schilders, waaronder vier Daubigny's, of doeken en olieverfschetsen van de Gentse schilder Albert Baertsoen, bij wie een doorregend of discreet zonnig palet heerst, en het felle groen meer dan eens onder een laagje sneeuw verstopt ligt. Frans getint en modern, zo kan je dit smaakpalet globaal karakteriseren – vooral bij de Franse meesters zitten enkele parels.

De werken die het museum in die tijd kocht, zijn van een ander slag, grootser en musealer, zoals de Garnaalvissers van Scribe's boezemvriend Jean Delvin. Er zitten een heleboel portretten bij, met zwier geschilderd, af en toe wat arrogant bourgeois. Bij de schilderingen van het gewone volk voert de ene keer tederheid de boventoon, en wordt elders de devote eenvoud van plattelandslui of de edele ruwheid van zeebonken in scène gezet. Tot slot mogen we de Parijse salonvedetten niet vergeten, waaronder Edouard Richter met een broeierige, theatrale Judith en Het feest van de Sileen, een vet glimmende rondedans van Alfred Roll.

Weinig van die werken zijn gespeend van het demonstratieve – soms ook stereotiepe – dat je met laat 19de-eeuwse `salonkunst' associeert, en toch zorgden Scribe en co voor een nieuwe wind in het aankoopbeleid. In Scribe's tijd verwierf het museum werk van Scandinaviërs, Duitsers, Spanjaarden, Britten en Fransen, kortom, men begon Europees te verzamelen. Dat de moderne kunst niet overgeslagen werd, blijkt trouwens uit twee Belgische schilderijen die je als sluitstukken van de `Scribe-periode' kan beschouwen: De lezing van Théo van Rysselberghe, een groepsportret dat grotendeels in `stippelstijl' is opgevat, en de Spanjaard van Henri Evenepoel, een man die in zwart ornaat tegen een overwegend beige achtergrond is uitgesneden.

Voor Scribe en zijn medestanders lag daar de grens. Alleen kunst die een mystieke waas over een herkenbare wereld uitgoot paste nog in hun smaakbeeld – zoals blijkt uit de etherische landschappen van Valerius de Saedeleer en Ludwig Dill. De vrienden weet de beperkingen van Scribe en zijn Gentse kunstvrienden goed te verhelderen. Het museum heroïseert zijn mecenas niet, en voor het overige is dit een overzichtelijke tentoonstelling met – ook voor insiders – aangename verrassingen; alleen het gebruik van `ismen' in de zaalteksten doet soms een beetje verplicht aan.

Tentoonstelling: De vrienden van Scribe, in het Museum voor Schone Kunsten, Citadelpark, Gent. T/m 14 maart, di t/m zo 9.30-17u. Catalogus 1250 Bfr.

    • Dirk Pültau