`IN STRIJD MET DE VROUWELIJKE NATUUR'

Meisjes, leerlingen van eenvoudige afkomst en met een afwijkende etnische achtergrond werden vroeger van het beste onderwijs uitgesloten. Over het verschuivende `beeld van geschiktheid' voor een bepaald schooltype.

IN 1871 WORDEN Kamervragen gesteld over de toelating van twee meisjes tot de HBS. Kamerlid Saaymans Vader betoogt `geen vermeerdering van macht der vrouwen' te wensen. Minister Thorbecke reageert op zijn minst tweeslachtig. Hij houdt de deelname van meisjes `voor een weldaad, die aan de maatschappij bewezen zal worden'. Maar had hij niet zelf in 1863 een aparte Middelbare Meisjes School (MMS) in het leven geroepen? Het zou uiteindelijk tot 1906 duren voordat meisjes zonder toestemming van de minister naar de jongens-HBS mochten. Saaymans Vader en Thorbecke waren niet de enigen die meisjes weerden uit de toen nieuwe HBS en het veel oudere gymnasium. Het was eerder heel gewoon om te denken dat vrouwen niet geschikt waren voor intellectuele vorming of zelfs een verderfelijke invloed op het schoolleven konden hebben.

Zulke beelden over vermeende eigenschappen van meisjes doen nogal absurd aan, nu meisjes gelijkelijk deelnemen aan het onderwijs, zelfs aan de universiteiten, en op school beter presteren dan jongens. Toch heeft, wat de meisjes betreft, de emancipatie pas vanaf de jaren zestig van deze eeuw haar beslag kunnen krijgen. Toen werd de Mammoetwet ingevoerd en veranderden de nog overgebleven jongens- en meisjesscholen in gemengde scholen. De MMS verdween.

Dat is eigenlijk jammer, vindt historisch pedagoge Saskia Grotenhuis in haar boek `Op zoek naar middelbaar onderwijs'. Want, achteraf beschouwd, is de MMS het enige schooltype in het middelbaar onderwijs geweest met een brede algemene vorming die tegelijk intellectuele vorming niet verwaarloosde. Wel bleef de MMS voeding geven aan het argument dat meisjes geen aanleg hadden voor wiskunde en dat zij dáárom niet naar de HBS en het gymnasium konden. Dat dat een vooroordeel was, bleek vooral uit de meisjes-HBS-en die rond de eeuwwisseling opbloeiden. In zulke intellectueel gerichte meisjesscholen waren de meisjes juist goed in wiskunde.

Na de Tweede wereldoorlog meende de invloedrijke katholieke pedagoog Perquin te weten dat wetenschap `mannelijk' is en niet in overeenstemming met de `natuur van de vrouw'. Kameraadschap tussen man en vrouw was door die vrouwelijk aard dan ook onbestaanbaar. De MMS was daarentegen wel toe te juichen, omdat deze `een beminlijke oppervlakkigheid leert van prettig op de hoogte zijn, een weldaad voor meisjes, die doorgaans op het gebied van het intellectuele leven dilettanten moeten blijven'.

LAGERE STANDEN

Dergelijke beelden van geschiktheid voor de hogere onderwijstypen golden in de loop van de geschiedenis niet alleen de meisjes. Te denken valt aan beelden van leerlingen met een andere of niet-religieuze achtergrond, van leerlingen uit een lagere sociale stand of klasse, of van leerlingen met andere etnische achtergrond. Die beelden verschuiven in de context van maatschappelijke ontwikkelingen.

In 1962, dus voor de Mammoetwet (1968), deden Mathijssen en Munichs onderzoek naar de beelden die leraren hadden van de typische gymnasiast en de typische HBS'er. Dat zijn positieve geschiktheidsbeelden, maar niet moet worden onderschat wat die aan ongeschiktheid voor het andere schooltype impliceerden. Zo was de gymnasiast-alfa onder meer `iemand die de ware gymnasium habitus heeft. Hij heeft innerlijke beschaving. Vermoedelijk heeft hij dit van zijn milieu meegekregen', hij heeft ook geen scherpe kanten zoals de HBS'er, die ruw en onbehouwen kan zijn'. De bèta-gymnasiast is de goede, niet al te sociabele wetenschappelijk onderzoeker wiens `intellectuele belangstelling beperkter is en niet gepaard gaat met een algemene politieke, maatschappelijke en culturele belangstelling en impliceert geen creativiteit'. De HBS-B'er `wil het naadje van de kous weten' en kan `objectief afstand nemen van vraagstukken'. In intellectueel opzicht torent hij hoog boven de HBS-A-leerling uit. Sociaal is hij `getapt'. Daar tegenover wordt de HBS-A'er dan weer gezet als een sociaal geïnteresseerde leerling. Een `strakke, enigszins schematische denker', die `tracht naar grondslagen door te tasten', maar `zijn gedachten moeilijk kan verwoorden' en zijn zinnen `stuntelig en gebrekkig formuleert'.

Hoewel we nog steeds kernen van waarheid in deze beelden kunnen bespeuren, zijn ze in onze tijd al aardig achterhaald. We zouden nu bijvoorbeeld de bèta-gymnasiast bovenaan zetten in de hiërarchie en de HBS-A'er herkennen we niet meer zo. De typische Havo-leerling is het in elk geval niet. Beeldvorming hangt dus kennelijk samen met de schooltypen die een schoolsysteem creëert. In Nederland gaan we nogal ver in het categoriseren naar schooltypen, vandaar dat wij veel geschiktheidsbeelden hebben. Vaak meer dan aan een geïnteresseerde buitenlander duidelijk te maken valt.

gedenkboeken

Wie op zoek is naar beelden van geschiktheid van leerlingengroepen kan haast niet beter terecht dan bij gedenkboeken van scholen. Drie van die boeken zijn onlangs verschenen. Met elkaar geven ze, naast de beschrijvingen van hoe leuk of minder leuk zo'n school kon zijn voor de betrokkenen, een aardige indruk van de beelden die een rol speelden bij de toelating de katholieke, protestante en openbare hoge schooltypen. En op onverhoedse wijze word je als lezer geconfronteerd met de onjuistheid van de beelden die je zelf hebt over het verleden.

Drie voorbeelden mogen dit verduidelijken. Eerst een voorbeeld van een koppel christelijke scholen, een HBS-annex-gymnasium, dat rond de eeuwwisseling werd opgericht in Rotterdam. De eerste jaren na de oprichting in 1898 is er met de toelating nog niet zo'n probleem. Het aantal leerlingen is nog gering en uiteraard van christelijken huize. De scholen willen wel rekening houden met de niet altijd even `passende' achtergrond van de leerling. Bovendien was de toelating voor het bijzonder onderwijs niet van overheidswege geregeld. Genoemde vaste beelden ontstonden later, met de groei van het leerlingenaantal in de jaren '20 en '30. Op het gymnasium klaagde men over `nogal wat onkruid' en de rector meende dat dat mede te wijten was aan de grote overgang van lager naar voortgezet onderwijs. Verrassend is zijn observatie dat leerlingen beter eerst naar de ULO zouden kunnen gaan, want daar `leerden ze zich voorbereiden, lessen-leeren, zelfstandig werken'. Nieuwe ontwikkelingen waren niet tegen te houden. Meisjes werden toegelaten en sommige bestuursleden zaten niet op uitbreiding te wachten. In 1921 `wees een van hen op gevaren van beiderlei seksen in de klas en in een adem door: vooral van Chineezen en Joden'.

Op een katholieke school – HBS en gymnasium – te Delft ging het er anders aan toe. Deze school werd pas in 1948 opgericht door de Jezuïeten en wilde van meet af aan een katholieke elite vormen. Daar lag wel een probleem, want een aanzienlijk deel van de leerlingen kwam uit het `boerse' Westland. De rector signaleerde een achterstand op het gebied van `taalgebruik, algemene belangstelling, stijl en beschaving'. Twee oplossingen dienden zich aan: huisbezoek, en een expliciete, overwegend sociale selectie. Zo werd naar kinderen uit arbeidersmilieu veel strenger gekeken, want `kinderen met eenzelfde intelligentie hebben in maatschappelijk hoger milieu grotere ontwikkelingskansen' en bovendien `is een eventuele mislukking in een lager milieu eenvoudiger te verwerken dan in een hoger milieu, waar de verwachtingen op de universiteit zijn afgestemd'. De komst van de HBS-A bood uitkomst. Daar konden leerlingen terecht die een `negatieve keuze' hadden gemaakt. Deze HBS-poot kreeg de naam `afvalbak'. Zo hangen status en beeldvorming samen met de positie in de hiërarchie van schooltypen.

BEETJE HERSENS

En slotte nog een openbaar gymnasium in Groningen. Ontstaan uit een Latijnse school in 1847, recruteert deze school al anderhalve eeuw uit de Groningse stadselite en plattelandsomgeving. Zijn geschiedenis lijkt op die van de andere gymnasia. Eén periode wijkt daarvan af en dat is in deze eeuw de periode van de jaren zeventig. De rector maakt dan van de school een `open instituut' waar iedereen `met een beetje hersens' toegang heeft. Kinderen van vluchtelingen worden aangenomen en bijgespijkerd voor de klassieke talen. De populatie verdubbelt. Het `experiment' bezwijkt, niet alleen onder de kwantiteit, maar ook, aldus de chroniqueurs, onder de `ongestructureerdheid van de anti-autoritaire opvoeding die een deel van de leerlingen genoot'. Dat voegt dus nog een onverwachte variant toe aan de galerij van (on)geschiktheidsbeelden.

Saskia Grotenhuis: Op zoek naar middelbaar onderwijs. Boom, Meppel, 1998.

H.J. van Haaren: Een zeer gewichtig belang. Vereniging van Christelijk Voortgezet Onderwijs te Rotterdam en omgeving (CVO). Rotterdam, 1998.

Huub Wijfjes: Het Stanislas. Klats publiciteit, 1998.

Margriet Greven, Yke Kramer en Jelte Wiersma: Praedinius Gymnasium Groningen 1947-1997. Groninger Historische Reeks 15, Van Gorcum, Assen.