Herfkens: hulp op andere leest

Bij nader inzien wil minister Herfkens het aantal landen waarmee Nederland een ontwikkelingsrelatie heeft, niet terugbrengen tot twintig maar tot circa vijftig. Een gesprek over een nieuwe aanpak.

Ontwikkelingssamenwerking gaat het aantal landen waarmee Nederland een rechtstreekse bilaterale ontwikkelingsrelatie heeft, niet beperken tot twintig landen maar tot omstreeks vijftig. Bovendien wil minister Herfkens exportsubsidies (Oret) vervangen door investeringssubsidies aan Nederlandse bedrijven in ontwikkelingslanden.

Dit zei de minister gisteren na het wekelijkse kabinetsberaad in een gesprek met deze krant. Volgende week stuurt zij haar plannen aan een onderraad van de ministerraad. Het kabinet neemt vervolgens op 26 februari over haar voorstellen een beslissing. Daarna is het woord aan de Tweede Kamer.

Kort na haar aantreden als minister maakte Herfkens bekend het aantal landen waarmee Nederland een bilaterale ontwikkelingsrelatie onderhoudt (1,3 miljard gulden in 1998) te willen terugbrengen van meer dan honderd tot twintig. Ze wilde daarmee de hulp effectiever en bestuurlijk beter beheersbaar maken en zo ook een ,,een managementprobleem'' oplossen dat zij had aangetroffen. Op deze aankondiging volgde direct kritiek uit de linkervleugel van haar partij, de PvdA, en van de kant van particuliere ontwikkelingsorganisaties. De critici zagen deze en andere plannen als een radicale breuk met het beleid van haar voorganger en partijgenoot Pronk, die het aantal bilaterale ontwikkelingsrelaties sinds 1989 juist fors had uitgebreid.

Mede ,,om de pijn te verzachten'', wil Herfkens nu alsnog naast de twintig allerarmste landen (inkomen per hoofd per jaar: tot 1.000 dollar) een groep van circa dertig iets minder arme landen (inkomen: tot 2.000 dollar) bilateraal blijven steunen. Ze wil deze nieuwe opzet van bilaterale hulp voor het einde van deze kabinetsperiode afgerond hebben. ,,Ik wil het geleidelijk doen, en de hulp natuurlijk niet van de een op de andere dag staken'', aldus Herfkens. Ze zal de landen die afvallen ,,persoonlijk inlichten''.

De eerste twintig landen, waarvoor een budget van 1,3 miljard blijft gelden, kunnen in principe rekenen op alle vormen van bilaterale hulp, die ,,structureel en langjarig'' moet zijn. De tweede categorie landen krijgt alleen steun voor een of meer specifieke programmasoorten. Namelijk voor: 1. mensenrechten, vredesopbouw en goed bestuur, 2. steun aan activiteiten van het Nederlands bedrijfsleven, en 3. milieuprojecten. ,,Je zou bijvoorbeeld anders niet eens de 0,1 procent van het BNP die in het regeerakkoord voor zulke milieuprojecten is afgesproken, kunnen wegzetten'', zegt Herfkens.

Volgens de minister ligt een groot deel van de gekozen landen van de groep van twintig in Afrika bezuiden de Sahara. De namen van deze landen wil ze nog niet vrijgeven. Ze wil daarmee wachten tot het kabinet haar plannen heeft besproken en de Tweede Kamer is ingelicht. Wel bevestigt ze dat Zuid-Afrika, ondanks een inkomen van ruim boven de 1000 dollar per hoofd van de bevolking, nog enkele jaren bilaterale hulp zal blijven ontvangen. Deze uitzondering houdt verband met de Apartheidsgeschiedenis van het land.

De landen uit de zogenoemde `tweede lijst' liggen niet uitsluitend in Afrika. Als voorbeeld noemt de minister Colombia. Daar is Nederland ,,nauw betrokken bij het vredesproces''. Bovendien loopt er ,,een interessant milieuprogramma'', aldus Herfkens.

De minister ontkent niet dat de verkrapping van haar budget, onder meer als gevolg van de vertraagde groei van de Nederlandse economie, ook een rol heeft gespeeld bij de nieuwe opzet van de bilaterale hulpverlening. ,,Het mot nu eenmaal wat minder'', zegt Herfkens, ,,en ik zit financieel heel moeilijk''. Zij wijst er alvast op dat er bovendien, net als in het geval-Indonesië, als gevolg van internationale conjunctuurverslechteringen en daling van prijzen van grondstoffen straks nieuwe internationale schuldenregelingen voor landen uit de Derde Wereld nodig kunnen worden, ,,juist ook ten zuiden van de Sahara'', waarin ook Nederland zou kunnen moeten deelnemen. Op ambassades in landen die voor bilaterale hulp afvallen, gaan ontwikkelingsafdelingen verdwijnen als deel van de totale efficiency-operatie van Buitenlandse Zaken, aldus Herfkens. Maar in landen waarmee de hulprelatie blijft bestaan zijn uitbreidingen te voorzien.

De minister is van plan om het Nederlandse bedrijfsleven op een andere manier in de bilaterale hulp te laten functioneren. Ze wil af van exportsubsidies en in plaats daarvan steun voor ,,langjarige, beter beklijvende'' investeringen. ,,Een verschuiving naar investeringen geeft betere garanties voor de ontwikkeling op langere termijn en is minder corruptiegevoelig.''

Dit jaar geeft Ontwikkelingssamenwerking omstreeks 600 miljoen gulden uit aan steun voor het Nederlands bedrijfsleven in de Derde Wereld. De verdeling van deze middelen en de voorlichting is verspreid over een te groot aantal instellingen en ministeries, vindt Herfkens. ,,We moeten naar één loket in Den Haag'', verzucht ze, ,,maar het overleg daarover is nog niet afgerond.''

Herfkens wil komen tot ,,een betere taakverdeling'' met niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties (NGO`s) en medefinancieringsorganisaties als Novib. ,,De NGO's moeten actief zijn in landen waar regeringen dat niet kunnen. Zij moeten bij voorkeur geen werk doen in landen waarmee wij als overheid al een ontwikkelingsrelatie onderhouden.''

Minister Herfkens, die onlangs nog pleitte voor ,,meer afstand' tussen Ontwikkelingssamenwerking en de medefinancieringsorganisaties, wil echter niet zo ver gaan dat ze NGO's de toegang ontzegt tot de landen waar de Nederlandse overheid actief is. Volgens haar moeten NGO's ervoor waken te veel aan gezondheidszorg en onderwijs te doen in de Derde Wereld. ,,Dat zijn elementaire taken voor de overheden in ontwikkelingslanden zelf'', vindt zij.