De Maasai verliest zijn ziel

Pater Frans Mol stelde een woordenboek samen van het OlMaa, de nog nauwelijks onderzochte taal van de Maasai. Een sterk aan de cultuur gebonden taal van een Keniaas nomadenvolk dat bezig is zijn waardigheid te verliezen.

HET GAT IN de oprijlaan naar het in de bossen van Oosterbeek gelegen bejaardentehuis Sint Josef roept onmiddellijk herinneringen aan Kenia op. Want in Kenia zitten in alle wegen gaten. In de donkere gangen van het kolossale pand hangen afbeeldingen van bijbelse taferelen met zwarte personages.

Directeur van het bejaardentehuis in Oosterbeek is de 63-jarige pater Frans Mol. Vanaf 1961 werkte hij in Kenia onder het herdersvolk de Maasai. De van nature toch al niet erg uitbundige Frans Mol maakt een sombere indruk tussen de bejaarden in Oosterbeek. Liever was hij in Kenia gebleven. Toen hij zich vorig jaar voor medisch onderzoek in Nederland bevond bedacht zijn missie-organisatie om hem hier een nieuwe baan te geven.

In Kenia is Mol een gerespecteerde wijze oude, vooral onder de Maasai. Hij schreef het eerste leerboek voor OlMaa, de Maasaitaal, en stelde het tot nog toe meest volledige woordenboek ervan samen. Hij ontdekte nieuwe vormen van het werkwoord en zelfstandig naamwoord in deze nog nauwelijks bestudeerde taal. Met simpele vertalingen laat het OlMaa zich niet in een woordenboek vatten. Door het grote cultuurverschil bestaan er niet altijd vertalingen voor Maasaiwoorden en blijkt een uitleg, een spreekwoord of een parabel nodig om duidelijkheid te scheppen.

``Het is een cultuurgebonden taal'', zegt Mol. ``Er bestaan bijvoorbeeld nauwelijks woorden uit de handel of zeevaart, maar juist veel over kleur en vee.'' Mol leverde een bijdrage aan de vertaling van de bijbel in het OlMaa. ``Je houdt je hart vast als je de zeereis van Paulus moet vertalen. Er bestaan geen woorden voor zee, voor dek of voor zeil. Dan leen je maar van het Engels of KiSwahili, de linga franca van Oost-Afrika.'' `Zwemmen' in het OlMaa laat zich vertalen als `over het water kruipen'. Hedendaagse woorden als krant of auto worden `en-gaseti' en `e-motokaa'.

stok

OlMaa blijkt door de sterke cultuurgebondenheid moeilijk te leren. ``Er bestaan bijvoorbeeld vele woorden voor stok'', vertelt Mol. ``Een stok om mee te slaan, een stok voor de herder, een ceremoniële stok, een wandelstok en een stok voor stamoudsten.'' Bovendien is de stok niet zomaar van hout. Er bestaat koud en warm hout, van mannelijke of vrouwelijke bomen. Een koe is niet zomaar een koe. Een koe met een eerste kalf heet anders dan die met een tweede jong. Er zijn vele woorden voor het begrip krijger, afhankelijk van de vraag of hij moedig is, dood of seksueel potent. Het woord koeienhoorn kan op negen verschillende manieren vertaald worden, ieder bepaald door de grootte en de vorm van de hoorn.

De eerste schrijver die de taal op schrift probeerde te stellen was Johann Ludwig Krapf in 1854. Joseph Thomson had toen nog niet zijn beroemde boek Through Maasailand(1883) gepubliceerd en van de Maasaicultuur was daarom nog weinig bekend. Na Krapf volgden Claud Hollis (1905) en professor Tucker samen met ole Mpaayei (1955). De Zuid-Afrikaanse vrouw Hindi, woonachtig in Maasailand als echtgenote van een districtbestuurder, schreef in 1902 de eerste grammatica maar volgens Mol ``zat zij er helemaal naast''. Holles, die als vertaler werkte bij rechtbanken, deed het volgens Mol al beter. Mols eigen woordenboek laat overigens ook te wensen over, erkent hij. ``De uitgever haalde er de klemtonen uit, hij vond het te veel werk om die tekens op alle woorden aan te brengen.''

Er leven in Kenia en Tanzania ruim één miljoen OlMaa-sprekers. De blanke kolonisten verdreven hen begin deze eeuw naar de droge savannes. De Maasai vallen op door hun rode doeken en de inspanningen die ze zich getroosten voor hun uiterlijk schoon. De krijgers met hun speren werden door omringende volkeren, Arabische slavenhandelaren en de Europese ontdekkingsreizigers gevreesd wegens hun krijgshaftigheid. Dit aureool hebben ze nog steeds, hoewel ze hun onverschrokkenheid tegenwoordig vrijwel alleen kunnen inzetten als nachtwakers in gevaarlijke steden. Ze vormen een hechte gemeenschap georganiseerd volgens een ingewikkeld systeem van leeftijdsgroepen.

eufemismen

Mol omschrijft de Maasai als een vriendelijk volk. Die karakteristiek weerspiegelt zich in de taal. De hoffelijkheid valt terug te vinden in vele woorden en spreekwoorden. De Maasai gebruikt veel eufemismen om het ware woord te maskeren, door het uit te spreken zou ongeluk kunnen worden afgeroepen. Een leeuw gaat dan `het grote wilde dier' heten. `Ai suuji ena kerai' betekent letterlijk `wat een lelijk kind'. Het wordt echter juist gebruikt om de schoonheid van een kind uit te drukken.

Mol verbaast zich sinds hij weer in zijn geboorteland woont over de directheid van de Nederlandse taal. Het krast in zijn oren wanneer hij hoort `Draai je om' of `Koop nu Biotex'. In het OlMaa bestaat die gebiedende wijs niet. Daar zou het worden: `Moge U nu Biotex kopen'.

Net als in andere Afrikaanse talen bevat het OlMaa een uitgebreid repertoire aan begroetingsformules. Deze luiden nooit alleen maar `hallo' en `hoe gaat het ermee'. Begroetingen nemen vele minuten in beslag en informeren niet alleen naar het welzijn van de betrokkene, maar ook naar dat van zijn uitgebreide familie. Het gaat in eerste instantie altijd goed, het slechte nieuws komt pas ter sprake ná de begroetingen. Aanspreekvormen worden bepaald door de respectieve sociale status van beide partijen. De Maasais gebruiken verschillende begroetingen voor mannen en vrouwen, onbesneden en besneden jongens en voor uitgehuwelijkte en niet getrouwde vrouwen.

De cultuur is een antwoord op de natuurlijke omstandigheden en nu deze veranderen beleven de Maasais turbulente tijden. Ze zullen er niet ongeschonden uit tevoorschijn komen. De veranderingen begonnen rond de jaren vijftig en namen een vlucht na de onafhankelijkheid in 1963. Mol herinnert zich hoe in zijn eerste jaren er in Kenia geen enkele paal of uithangbord stond. Mensen kenden de weg. ``Tegenwoordig moet alles uithangborden hebben'', verzucht Mol, ``scholen, ziekenhuizen en kerken. Het snijdt de Maasai in zijn ziel dat er zoveel palen en beperkingen zijn gekomen.''

De nomadische ziel wordt aan de ketting gelegd. De traditioneel communaal ingestelde Maasai begint individualistische trekken te vertonen. Sommigen leven al niet meer gezamenlijk in een kraal maar stichten hun eigen onderkomen. Rijke Maasais nemen armeren in dienst om hun vee op ranches te hoeden. ``Vroeger kwam je geen arme Maasais tegen. Nu ontmoet je in een kraal arme herders zonder kralenkettingen, of ze staan er maar wat te dansen voor toeristen. De Maasai verliest zijn waardigheid.''

Overbevolking, landroof door andere Kenianen — met name hoge politici — in Maasaigebied en de introductie van modern onderwijs stuwen de grote verandering. Vroeger had de Maasai het altijd over vee, tegenwoordig heeft hij het over land. Landbouwvolkeren hebben stukken van de hooglanden bezet waar de Maasais in droge tijden naar uitweken. ``Het gaat om een botsing van economische belangen'', stelt Mol vast. Regering en ontwikkelingseconomen propageerden in de jaren zestig grootschalige groepsboerderijen met vee te stichten, maar vergaten Maasais op te leiden in modern management. Toen deze projecten waren mislukt kwam de nadruk te liggen op privatisering, maar de grond blijkt daarvoor te arm en de Maasai te collectivistisch ingesteld. Op een stukje privé-grond past geen grote veestapel. Een Maasai ontleent aan zijn veestapel niet alleen inkomen maar tevens zijn culturele trots en status. De verloedering grijpt om zich heen in Maasailand en leidt tot een onstuitbare trek naar de steden van jonge Maasais. Mol: ``In tegenstelling tot de jaren zestig bezitten de Maasais nu niet meer voldoende vee. Dat heeft een ingrijpende invloed op een volk waar het vee centraal staat, dat heeft gevolgen voor hun zelfverzekerdheid.''

krijgerschap

De erosie van het leeftijdsgroepensysteem leidt tot een aanslag op het sociale stelsel. Trapsgewijs worden Maasais ouder, wijzer en invloedrijker. Voor de mannen geldt de periode van krijger als de belangrijkste in hun leven. Het krijgerschap duurt ongeveer tien jaar waarin hem de krijgskunst wordt bijgebracht en hij tevens onderricht krijgt in geschiedenis en sociale vaardigheden. Het moderne onderwijs haalt de Maasai in zijn jeugd weg naar kostscholen ver van zijn kraal. Hij ondergaat niet de vorming in zijn eigen cultuur. De krijgers trekken niet meer exclusief met elkaar op, gaan niet samen uitdagingen aan en leren niet meer te delen. De tribale discipline staat onder druk. De wijze ouderen, die nog wel echte krijgers zijn geweest, verliezen hun gezag. Zij kunnen de veranderingen niet aan. Mol: ``De ouderen stellen zich tegenwoordig fatalistisch op.''

De Maasais kenden hun uitgestrekte woongebieden door hun trektochten met het vee, de wildernis hield voor hen geen geheim verborgen. Ze leefden samen met hun koeien in één kraal en leerden van ieder stuk vee het karakter kennen. Dat gaf ze een gevoel van macht, ja ze voelden zich evenals andere nomaden verheven boven andere volkeren, met name de landbouwers. ``De Maasais hadden een superioriteitsgevoel, ze zijn niet kruiperig maar oprecht'', beaamt Mol. ``Er zit iets verhevens in de nomadische ziel, iets van adel en veel kennis, dat voortkomt uit hun verbondenheid met de natuur. Dat ontglipt ze nu.''

De tegenstelling tussen nomaden en landbouwers, tussen degenen die zich overgeven aan de grillen van de natuur en degenen die de natuur naar hun hand proberen te zetten, staat al beschreven in de bijbel. De eeuwenoude competitie tussen beide groepen woedt in Afrika nog in alle hevigheid. ``De trend in de wereld gaat van nomadisch naar sedentair'', concludeert Mol. ``Ik ben er nog niet uit of dit werkelijk de juiste stap is voor de Maasai zoals de ontwikkelingsdeskundigen ons doen geloven. Het is niet voor ieder volk goed om zich permanent te vestigen.''

De Maasai heeft zelf geen woord voor akker. Het dichtst in de buurt komt `olokere', een omheind stuk grond. De heersers in Afrika zijn doorgaans landbouwers en zij bepalen de ontwikkelingen. De nomaden raakten in de marge van de samenleving. Ze kennen geen centraal leidersschap waardoor ze in de multi-tribale naties hun stem niet luid genoeg laten klinken. ``Geen enkele beleidsmaker in Kenia probeert de Maasai-samenleving te begrijpen'', aldus Mol.

Hij reikt de Maasai de bijbel aan als handleiding. Probeert ook Mol daarmee niet de Maasai vreemde waarden op te leggen, werkte zijn missiewerk niet even destructief als het moderne onderwijs? Mol spreekt dat tegen. ``De bijbel bevat een boodschap voor de Maasai. Vooral in het oude testament zitten veel verhalen die ze aanspreken. Abraham was een nomade. Het Godsbeeld bij de Maasai is vrij vaag, net als in het oude testament. Je raakt daarom een bijbel gemakkelijker kwijt aan de Maasais dan in Amsterdam. Het zijn hún verhalen.''

Mol is van plan een nieuwe versie van zijn grammatica-boek te maken en leerboeken over de taal van de aan de Maasai verwante volkeren, de Samburu en de Waarusha. ``Het liefst zou ik een geschiedenisboek over de Maasai schrijven'', besluit Mol. ``Ik wil de Maasais laten zien dat door de historie heen volkeren voor een zelfde dilemma hebben gestaan als zij nu. De belangrijkste les is dat de Maasai in naam van de vooruitgang niet moeten proberen op andere volkeren te gaan lijken. Als ze niet zichzelf blijven, gaat hun ziel verloren.''