De jeugd van tegenwoordig is verpapt

Door het stijgen van de levensstandaard wordt de nieuwe generatie niet meer aan ontberingen blootgesteld, die eerder vanzelfsprekend waren. Het bekendste cliché in dit verband: de lampetkan met in de winter het laagje ijs. En: helemaal wassen!

Wanneer mensen hun jeugd van een halve eeuw eerder met de huidige tijd vergeleken, hadden ze hun oordeel altijd snel klaar: de jeugd van tegenwoordig is verpapt. De ernst waarmee over het verschijnsel achterbank- of patatgeneratie gesproken wordt geeft aan dat dit idee het nog steeds goed doet.

Tussen de autobiografen die tot dit soort simplismen vervielen, valt Willem Treub (1858-1931) op, omdat zijn vader de zo gewaardeerde gedisciplineerde opvoeding bewust gegeven had, als reactie op zijn eigen jeugd. Die was door een ver doorgevoerde Rousseau-verering van zijn grootvader in het honderd gelopen. ,,De menschen moesten in het belang der toekomst van de samenleving en van henzelven terug naar de natuur, dus: hij vervulde zijn plicht aan zijn kinderen het best, door ze niet te laten leeren.''

De vader van Willem Treub had daar z'n leven lang last van gehad. Hij bracht het weliswaar tot burgemeester van de gemeente Voorschoten, maar was toch van de weeromstuit zeer gebrand op goed onderwijs voor zijn drie zoons: Melchior, Hector en Willem. En dat met schitterend resultaat: de reputatie van de botanicus Melchior Treub mag tegenwoordig wat verbleekt zijn, die van Hector Treub leeft voort als een van de grondvesters van de moderne gynaecologie. De jongste, Willem Treub, maakte een briljante carrière als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, als wethouder aldaar en daarna als politicus in Den Haag, waar hij onder meer minister was tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Niet dat naar school gaan een pretje was. De kleine Willem was linkshandig en daar had men weinig geduld mee. ,,Des te beter herinner ik mij de tikken, die ik met een liniaal op mijn vingers kreeg, wanneer ik betrapt werd op het hanteeren van mijn griffel tegen de regelen der school'', schrijft hij in zijn autobiografie.

Dat was niet ideaal. ,,Maar zoo men vroeger te hardhandig was – ik herinner mij ook wel, dat ik meer dan eens door elkander geschud werd – tegenwoordig is men ziekelijk bang, een kind anders dan met zoete woordjes af te brengen van hetgeen het niet goed doet.''

Met zorg signaleerde Treub dat kinderen het tegenwoordig leuk vonden op school. ,,Ik zie al verschillenden, vooral onder mijn lezeressen, bij zichzelf verontwaardigd vragen: `Is dat niet het beste bewijs van den vooruitgang van de onderwijsmethoden?' Neen, mevrouwtje, juist het omgekeerde.''

Het was voor de broers een uur lopen naar de HBS in Leiden. 's Zomers was dat een prettige wandeling, maar 's winters was het zwaar. ,,Mijn oudste broeder'', schrijft Treub, ,,werd zelfs eens, toen er een heel erge sneeuwstorm woei, zoodat mijn vader bang werd en het ventje tegemoet ging, halverwege tusschen Voorschoten en Leiden door dezen uit een sneeuwhoop gehaald, waartegen de jongen vergeefs worstelde. En niet alleen de jonge Treubjes werden op die wijze gehard en gestaald, verschillende andere kinderen moesten eveneens door weer en wind naar school.''

Met al zijn nostalgie over de oude harde jeugd had Treub allerminst een kadaverdiscipline als ideaal. Brave, gezeglijke kinderen – dat was ook niets. ,,Met één uitzondering zijn de jongens, die ons op school ten voorbeeld werden gesteld, in de groote maatschappij gebleven, wat zij als kinderen waren: blokkers, die heel precies doen wat men hun opdraagt, maar van wie niets eigens uitgaat.''

Van het eigen wangedrag deed hij verslag met een aanstekelijke eigenwijsheid die hem nooit meer verliet. In een bui van baldadigheid hadden hij en een paar jongens met hun catapults een lang gotisch kerkraam met veel kleine ruitjes bestookt. Ze realiseerden zich dat ze hun gerechte straf niet zouden ontgaan. ,,Wij spraken toen met elkander af, dat, als ons iets werd gevraagd, wij van niets zouden weten.''

Aangesproken over de schade hield hij vol van niets te weten, tot zijn vader hem overtuigend had duidelijk gemaakt dat hij jokte en dat men het wist. ,,Nu was ik zelfs toen, als kind, niet zoo onnoozel, dat ik niet besefte, dat mijn ouders, die mijn koppigheid en het hun voorliegen nog erger vonden dan de vernielerij zelve, van hun standpunt volkomen gelijk hadden; maar ik meende van mijn standpunt niet minder gelijk te hebben. Als men met vriendjes een afspraak maakt, moet men zich eraan houden, zoo redeneerde ik, zelfs als die vriendjes laf genoeg zijn om terstond door de mand te vallen.''

Als straf werd er veertien dagen lang door niemand in huis tegen hem gesproken ,,en al die dagen bleef de catapult als stuk van overtuiging over een scheurkalender hangen''. Toen tien of zelfs vijftien jaar later nog eens aan het voorval werd herinnerd had de vader ,,nog een stroeven trek om den mond. Hij had het mij zelfs toen nog niet heelemaal vergeven''.

Een stevige discipline in de opvoeding was mooi, maar je ging daar dus wel hard tegenin op zijn tijd. Ook op school duurde het enige tijd voor de `Treubjes' hun best deden. De briljante Hector zwijnde er altijd door, maar Willem bleef zelfs een keer zitten. ,,Eerst in de hoogste klassen begon ik mij voor mijn doen in te spannen. `Voor mijn doen', want waarlijk werken leerde ik eerst na mijn schooltijd.''

Willem Treub werd van een frisse radicaal langzamerhand een oerconservatief liberaal, die in organisaties als de Tuchtunie het vaderland de juiste richting bleef wijzen. Hij verdient een biografie die verder komt dan het vermakelijke, zij het behoorlijk ijdele gemopper van zijn autobiografie.

M.W.F. Treub, Herinneringen en overpeinzingen. (Haarlem, Tjeenk Willink 1931)