Zwijgen over El Al `dienstbevel'

De verkeersleiding op Schiphol is al sinds 1973 geïnstrueerd om volstrekte geheimhouding te betrachten over alles wat met de Israelische luchtvaartmaatschappij El Al te maken heeft. De instructies zijn gegeven door de RLD en het ministerie van Binnenlandse Zaken.

,,Voor ons was het eigenlijk een dienstbevel'', zei Th. Croon vanmorgen voor de parlementaire enquêtecommissie die de Bijlmerramp van 4 oktober 1992 onderzoekt.

Croon was destijds hoofd van de verkeersleiders op Schiphol en deed soms zelf ook dienst als verkeersleider. Hij zei dat dergelijke instructies afkomstig waren geweest van het ministerie van Binnenlandse Zaken en van de Rijksluchtvaartdienst (RLD).

Er werden nooit mededelingen gedaan over de taxibanen van El Al en als enige mocht de maatschappij ook gebruik maken van start- en landingsbanen die eigenlijk wegens geluidsoverlast gesloten waren. De toestellen werden na de landing ook op de grond begeleid door de eigen veiligheidsdienst van de Israelische maatschappij. Ook dat diende geheim te blijven.

Drie getuigen, allen werkzaam bij de verkeersleiding op Schiphol, bevestigden vanmorgen voor de commissie dat ze al diezelfde avond kort na de ramp op de hoogte waren geweest van het nieuws dat er explosieven, gif en gas aan boord waren geweest van het verongelukte El Al-toestel. Functionarissen van operations van El Al hadden al direct nadrukkelijk verzocht om hierover niets naar buiten te brengen. De staf van de verkeersleiding besloot om een beperkt aantal luchtvaartfunctionarissen op de hoogte te brengen, onder wie J.Weck van de Rijksluchtvaartdienst.

De gevoeligheid van alle zaken op Schiphol die met El Al hadden te maken, vormde voor hen echter een belangrijke beweegreden om dit nieuws zoveel mogelijk voor zich te houden. Vooral T. Polman, destijds chef verkeersleider, belde die avond verscheidene luchtvaartfunctionarissen op om hen te vertellen dat er ook gevaarlijke stoffen in het toestel hadden gezeten. Steeds weer drukte hij hun echter op het hart om hieraan geen ruchtbaarheid te geven.

,,Maar je moet je kop houden'', riep hij een van hen bijvoorbeeld telefonisch toe, zoals blijkt uit het transscript van een tape die de commissie inmiddels in handen heeft. De boodschap kwam luid en duidelijk over. ,,Nee, daar moeten we maar niet over praten'', was de reactie van G. Knook, destijds voorlichter en vanmorgen ook voor de commissie gehoord.

Polman had die avond ook contact met de luchtvaartpolitie en met K. Beumkes van het bureau vooronderzoek van de Rijksluchtvaartdienst. Deze laatste was door zijn superieuren, die zich op de plaats van de ramp bevonden, uitdrukkelijk gevraagd de inhoud van de lading te achterhalen. Polman vertelde hun echter niet dat het toestel gevaarlijke stoffen had bevat. Zowel de politie als Beumkes hadden in dat geval een waarschuwing kunnen doen uitgaan. Gevraagd waarom hij juist hun niet had ingelicht, kon Polman slechts zeggen: ,,Daar heb ik geen verklaring voor.''

Polman zei tot zijn eigen verdediging dat hij niet verantwoordelijk was voor kwesties betreffende de lading. Bovendien was hij er de hele avond van uitgegaan dat de brandweer en andere hulpverlenende instanties allang op de hoogte waren van de samenstelling van de lading. Noch Polman, noch Croon vond het nodig om enkele dagen later, toen de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, H. Maij-Weggen, op een persconferentie verklaarde dat er slechts parfum en bloemen in het verongelukte toestel hadden gezeten, de bewindsvrouw te corrigeren.

Bijlmer-enquête3