Twee jaar vóór Joke Kool-Smit!

Conny Stuart en Corry Brokken hebben met hun `protestliedjes' Nederland rijp gemaakt voor het feminisme, meent de nieuwe hoogleraar vrouwen- en genderstudies Maaike Meijer. Hoe emanciperend is het Nederlandse lichte lied?

De woorden zeggen dat ze opgelucht is, de vrouw die haar echtgenoot eindelijk kan overdoen aan een ander. Ze is hem meer dan beu. ,,'t Is over,'' zingt ze. ,,Hij zegt me niets meer. Ik ben vrij. `t Is over. Het doet me niks meer en ik ben blij. Hij is voor mij zomaar een heer – en al die toestanden, dat hoeft niet meer...'' En dan komen de voorbeelden, de verhalen over het wachten in het grote bed, het eeuwige wachten op een man met status en overwerk, whisky-erotiek en moppen over kapelaans. Nog even mijmert ze over hun reisjes naar Parijs, maar die maakt hij nu alleen, en als hij thuiskomt, heeft hij lipstick op zijn das.

De vrouw is vrij, en volgens de woorden van Annie M.G. Schmidt is ze daar blij om. Maar zoals Conny Stuart ze zong, in 1965 in de musical Heerlijk duurt het langst, was daar niets van te horen. Die eerste grillige regels klinken zelfs uitgesproken verdrietig, en de nootjes van Harry Bannink zijn heel spaarzaam en heel voorzichtig. Pas als daarna de voorbeelden komen, hechten ze zich in een slepend walsje dat de luisteraar niet meer loslaat. Verder gaat het, en steeds maar verder, tot de vrouw haar echtgenoot definitief lijkt over te dragen aan zijn nieuwe minnares. Dan stopt de melodie, zonder aan een crescendo toe te komen, om weer plaats te maken voor die tere, breekbare nootjes uit het begin. Het is, zingt ze, alsof ze nu haar speelgoed aan een ander kind geeft. ,,Hier is het. Je mag het hebben. Het is voor jou. Pak aan dan. Je mag het hebben, want het is nou niet meer van mij. En veel geluk, maar één ding vraag ik je. Maak het niet stuk.''

Zij heet Marian en hij heet Ido. Het is niet haar keus geweest, dat hij de deur uit gaat. Ze is voor een fait accompli geplaatst; hij is degene die een verhouding met zijn secretaresse is begonnen. Dat ze van hem af wil, en waarom, is pas in haar hoofd opgekomen nadat ze ontdekte dat hij vreemd ging. Uit zichzelf was Marian nooit op dat idee gekomen. Ze is niet de vrijgevochten vrouw die op een dag besluit een eind aan haar huwelijk te maken. Zij is het slachtoffer, en nu probeert ze haar gezicht te redden door te suggeren dat ze uit eigen beweging tot de conclusie is gekomen dat het over is. Maar tenslotte verraadt ze zich. Ido is een kwetsbare figuur, zingt ze. Laat zijn nieuwe geliefde hem alsjeblieft niet stuk maken.

Annie M.G. Schmidt liet het er dan ook niet bij zitten. Haarfijn moet ze hebben aangevoeld dat haar publiek anno 1965 een musical zonder happy end niet zou hebben geaccepteerd. En een happy end kon toen maar één ding betekenen: de echtelieden moesten weer worden verenigd, in voor- en tegenspoed. In een ommezien krijgt Ido dus ruzie met zijn Emma, en als hij pruilend naar Marian terugkeert, laat zij de aardige buurman – wier avances ze zich gevleid maar toch ook gereserveerd heeft laten aanleunen – onmiddellijk als een baksteen vallen. Ido en Marian zijn weer bij elkaar. Doek.

Uit elkaar

Toen er vorig jaar werd gewerkt aan de nieuwe productie van Heerlijk duurt het langst, die tot de zomer op tournee is door Nederland, heeft bewerker Ivo de Wijs een andere afloop bedacht. Nadrukkelijk situeerde hij de handeling in de jaren zestig met een openingsscène in de tegenwoordige tijd, waardoor de rest een flashback werd, en een nieuw slot waarin de hoofdpersonen weer in het heden staan. In zijn eerste versie kwam Marian naar een bejaardentehuis om Ido op te zoeken. Hij zit in een rolstoel, en zij vertelt hem dat het goed gaat met de zaak. Dan vraagt ze hem of hij jaloers is. ,,Op jou?'' zegt hij. ,,Ach. Soms. Maar ik begrijp 't wel. Lang geleden dachten we dat 't kon. Elke keer opnieuw. Na elke ruzie weer. Maar op de lange duur... nee. 't Is maar het beste zo.''

Meer woorden had De Wijs niet nodig om duidelijk te maken dat Ido en Marian uiteindelijk toch uit elkaar zijn gegaan.

Maar na lang en uitvoerig beraad werd besloten dat het niet gepast zou zijn het oude verhaal een andere afloop te geven. Annie Schmidt bracht Marian en Ido weer bij elkaar, en zo moest het blijven. Zij had die twee figuren geschapen – wie zou Ivo de Wijs zijn om háár happy end te verijdelen? Ze leefden nog lang en gelukkig, daar is geen ontkomen aan.

Tenzij men prof.dr. Maaike Meijer heet. Eind januari hield deze neerlandica haar inaugurele rede voor de leerstoel, die door het feministische maandblad Opzij is ingesteld aan de universiteit van Maastricht. De titel luidde: `Machtige melodieën. Populaire teksten uit de jaren '50 en '60 als bron voor cultuurgeschiedenis.' De volgende dag stond in de kranten, dat zij in Conny Stuart en Corry Brokken de voorvechtsters had ontdekt van een feminisme avant la lettre. Niet de in de canon van de vrouwenbeweging opgenomen pioniersters hebben aan de wieg van het feminisme gestaan, aldus haar overal geciteerde conclusie, maar de zangeressen van het populaire lied. Door nummers als `t Is over en Mijn ideaal was de vrouwelijke onvrede allang tot een miljoenenpubliek doorgedrongen voordat Joke Kool-Smit in 1967 in De Gids haar manifest over het onbehagen bij de vrouw publiceerde.

Nu de tekst van haar inaugurele rede na te lezen valt in het februarinummer van Opzij, blijkt het betoog van prof.dr. Maaike Meijer iets genuanceerder te zijn dan uit de krantenberichten viel op te maken. Eerlijk geeft ze toe dat er in `t Is over ,,op het nippertje nog enige sympathie voor deze man doorkomt'', maar dat weerhoudt haar er niet van toch tevreden vast te stellen ,,dat de man ook werkelijk de deur wordt uitgedaan''. Twee jaar vóór Joke Kool-Smit!

`t Is over zet volgens mevrouw Meijer een stap die in Mijn ideaal, in 1960 gezongen door Corry Brokken, nog net niet wordt gezet. Maar ook dat lied is al behoorlijk opstandig. De vrouw zingt immers tot haar man, dat ze hem vroeger als haar ideaal heeft beschouwd, haar vurige charmeur, die nu echter ,,een moede man vol zelfbeklag'' is geworden en alleen nog pathetische pogingen tot flirten doet voor andere vrouwen. In één schitterend raak zinnetje wordt de tegenstelling tussen vroeger en nu samengebald: ,,Mijn Cyrano de Bergerac wil dat ik flensjes voor hem bak.''

Mijn ideaal is de Nederlandse bewerking van Tu t'laisses aller van Charles Aznavour, dat in de oorspronkelijke versie ging over een vrouw wier vroegere meisjesgratie allengs is verdwenen onder dikke lagen vet en verbittering. In opdracht van revueproducent René Sleeswijk, die nieuw repertoire zocht voor zijn zingende echtgenote Corry Brokken, draaide tekstdichter Jacques van Tol die rollen om. Nu is het, volgens prof. dr. Meijer, een protestlied geworden. Ook in dit geval kan ze echter niet ontkennen dat de tekst een onverwachte wending krijgt. Op het nippertje zingt de zangeres een toontje lager; diep in haar hart heeft ze medelijden met die man, en het slot van het liedje is dat ze ondanks alles van hem houdt: ,,...Dan is die hulpeloze man, die toch mijn zorg niet missen kan, mij nog het liefst van allemaal – mijn ideaal, mijn ideaal.''

,,Ofschoon dit lied dus buitengewoon reactionair eindigt,'' zegt de hoogleraar in haar rede, ,,gaat het toch over vrouwelijke desillusie en woede.''

Boze man

In een waardig interview, eveneens gepubliceerd in het februarinummer van Opzij, geeft Corry Brokken haar reactie op deze stelling. ,,Ik vraag me af of Maaike er niet meer achter zoekt dan er staat,'' zegt ze op nuchtere toon, eraan toevoegend dat de broodschrijver Van Tol vast en zeker niet van plan was nu eens een mooi geëmancipeerd lied te schrijven. ,,Van Tol was gewoon een oude, beetje boze man. En ook nog eens een ouderwetse man. Maar goed, Maaike heeft er voor doorgeleerd.''

En dat zullen we weten. ,,Al vele jaren voor dit officiële startschot van de vrouwenbeweging wordt in de lichte muziek geprotesteerd tegen de onorthodoxe sexe-voorschriften,'' stelt mevrouw Meijer. ,,Dit protest bereikt, in tegenstelling tot dat van Joke Smit, in één klap miljoenen vrouwen.''

Dat is een conclusie die, afgezien van de vraag hoe veel waarde we aan haar tekstanalyse kunnen hechten, wellicht een schokje teweeg heeft gebracht in het starre denkraam van de feministische wetenschap, maar daarbuiten natuurlijk allang gemeengoed is. Het mag immers nauwelijks nieuws meer heten dat het populaire lied bij uitstek het medium is waaruit de gevoelens van het volk zich van jaar tot jaar, van era tot era, laten aflezen. Dat geldt evenzeer voor de vooroorlogse rolverdeling – waarin de getrouwde vrouw uitgroeit tot een furie die haar man zijn pretjes misgunt, met de deegroller in de hand en papillotten in het haar – als voor de naoorlogse, waarin die vrouw langzaam maar zeker ook haar eigen kant van het verhaal begint te uiten. Maar niet om het publiek een ongemakkelijk gevoel te geven, of een waarheid onder ogen te brengen die nog niet eerder was ontdekt. Integendeel.

De liedjeszanger of -zangeres die zulke ambities koestert, weet zich bij voorbaat al veroordeeld tot een klein publiek van gelijkgestemden. Wie bij een groot publiek weerklank wil, en dat is toch de bedoeling van het populaire lied, zal juist op de herkenbaarheid moeten mikken. Het lied moet op de eerste plaats herkenbaar zijn – bij voorkeur niet eerder op deze manier onder woorden gebracht, maar wel appellerend aan bestaande gevoelens.

Het is dus, in tegenstelling tot wat prof. dr. Meijer beweert, niet het lied dat als eerste de kolen uit het vuur haalde. Het lied reflecteerde wat al gaande was. Misschien nog niet in alle regionen van de samenleving, maar in elk geval al wel bij de miljoenen die in de jaren zestig liever naar Conny Stuart of Corry Brokken luisterden dan te wachten op het nieuwste nummer van De Gids.

    • Henk van Gelder