Sûpenbrij als voedster der emancipatie

Het jaar 1968 staat bekend als omwentelingsjaar. Een jaartal om te onthouden, erg handig. Met de studentenrevolte te Parijs begon in 1968 de moderne, individuele vrijheid. Er ging een licht op, daarvoor was het donker. Dat die duisternis echter in de jaren vijftig niet alleen maar duister was, bleek al uit Annejet van der Zijls recente Jagtlust, de geschiedenis van een Goois landhuis als trefpunt van kunstenaars, met de dichteres Fritzi Harmsen van Beek als middelpunt. Losse, losbandige toestanden in de jaren vijftig, een gevoel van vrijheid dat men eerder na 1968 zou verwachten.

In Peter R. Boomsma's Kneppelfreed vinden we ook de vrijheidsdrang en opstandigheid beschreven die we met 1968 associëren. Maar een en ander speelt zich af in een andere tijd, een andere wereld bijna, waarin boeren nog met paarden werkten en melkboeren hun handel uit melkbussen op de kar tapten.

Kneppelfreed (knuppelvrijdag) begint inderdaad bij twee melkboeren uit het Friese Oldeboorn. In tegenstelling tot wat artikel 16 van het Melkbesluit voorschreef, gaven zij de inhoud van hun bussen aan met opschriften in het Fries: molke, sûpe (karnemelk) en sûpenbrij (karnemelksepap). Op grond van deze overtreding werden beide heren in 1948 door een inspecteur van de Keuringsdienst van Waren aangegeven en een veroordeling volgde. Een kleinzieligheid uit law-and-orderland, die christen-socialist, dichter en Bijbelvertaler Fedde Schurer, tevens hoofdredacteur van de Heerenveense Koerier, een verontwaardigd stuk in de pen gaf. Het Melkbesluit was niet gemaakt om taalterreur uit te oefenen, schreef hij, maar gewoon om de klant duidelijk te maken wat hij kocht. De wet moest zoals hij het uitdrukte `de Friese letter krijgen'.

Met deze molke en sûpe-affaire bleek wind gezaaid, die zich in 1951 als storm liet oogsten. In dat jaar opnieuw kleinzieligheid. Mr. Stheeman, oud-president van de Leeuwarder Rechtbank, maakt via een ingezonden stuk in de Leeuwarder Courant bezwaar tegen het feit dat op een vergadering van het Friesch Genootschap Fries was gesproken. Het gaat je voorstellingsvermogen te boven. Stheeman (in 1968 president van de rechtbank te Amsterdam) was bang voor decentralisatie en Friese emancipatie, die de Nederlandse eenheid in gevaar zouden brengen. De commotie in de pers na zijn stuk leidde echter tot het besluit van Gedeputeerde Staten van Friesland dat elke Fries zich met het oog op rechtsgelijkheid van het Fries mocht bedienen. De `Friese kwestie' leek bezworen. Tot zich een derde incident voordeed. Een veearts uit Lemmer werd bekeurd wegens het zonder benodigde vergunning berijden van de kortste weg naar een boer in de Noordoostpolder. In de rechtszaak omtrent `dit zaakje van niks' weigerde de veearts Nederlands te spreken.

Zwarte Hoop

En toen brak de storm los. Fedde Schurer nam in zijn Heerenveense Koerier de kantonrechter (dezelfde als in de zaak tegen de Oldeboornster melkboeren) op de korrel en noemde hem `de laatste man van de Zwarte Hoop', naar de Saksische bende die in de Middeleeuwen de Friese landerijen had geteisterd. Ook rubriekschrijver De Jong van het Bolswards Nieuwsblad maakte zich druk, sprak over nazi-methoden en zei zich te moeten beheersen om zo'n kantonrechter er niet met een knuppel van langs te geven. De betreffende magistraat voelde zich beledigd – opmerkelijk genoeg niet als mens, maar als ambtenaar – en diende een aanklacht in. Zowel Schurer als de Jong stond in oktober 1951 terecht en ze werden beiden veroordeeld tot 150 gulden of dertig dagen hechtenis.

Wegens de betrokkenheid van twee journalisten had de zaak veel aandacht in de pers gekregen. Buiten de rechtbank had zich een grote menigte verzameld, tot ontreddering van de Leeuwarder gemeentepolitie, die geen ervaring had met demonstraties: we schrijven nog steeds 1951. Olie op het vuur was de uitdrijving van belangstellenden uit de veel te kleine rechtszaal. Het was daarbij markt- en veemarktdag, volk stroomde toe op het plein voor de Leeuwarder zetel van Vrouwe Justitia. De politie raakte in paniek toen het publiek leuzen ging scanderen, stuurde motorpolitie alsmede de brandspuit en hanteerde de gummistok. Ook de getuigen die na de zitting het Gerechtsgebouw verlieten kregen klappen, waaronder Pieter Wijbinga, hoofdredacteur van het Friesch Dagblad. Knuppelvrijdag was een feit.

Melk, eigen weg, een eigentalige genootschapsvergadering. Waar ging het helemaal om? De zaak was natuurlijk groter. In Friesland werd voornamelijk recht gesproken door niet-Friessprekende rechters, wat vooral onder niet-polyglotte boeren en arbeiders tot rechtsongelijkheid leidde. Daarbij waren de Friezen net zo bang voor het verdwijnen van hun taal en cultuur als mr. Stheeman voor decentralisatie en separatisme.

De `revolte-toestanden' bij de rechtszaak deden grote schrik ontstaan in politiek Den Haag. Een wat wel werd genoemd `regeringsphalanx' zette zich in beweging. Maar liefst drie ministers reisden af naar Leeuwarden: Rutten (OKW), Mulderije (Justitie) en Beel (Binnenlandse Zaken). Beel zei achteraf te zijn gerustgesteld. De bewindslieden hadden `dieper inzicht' verworven en hun was gebleken `dat van enig separatistisch streven geen sprake is'.

Toch was Den Haag nog niet van de Friezen af. Bij de Eerste-Kamerbesprekingen van de Justitiebegroting van '52 sprak de befaamde Hendrik Algra (ARP) de woorden: `Wanneer men erkent dat het Fries een taal is – en dat is het –, een taal waarin de Bijbel vertaald is, een taal waarin kerkdiensten worden gehouden, een taal waarin Shakespeare is vertaald en Tacitus, maar dat die taal buiten de zalen van het officium moet blijven of ten hoogste even mag binnenkomen, zoals in sommige gezinnen de dienstbode, die in de keuken eet, ook even binnen mag komen, mits ze een stoel uit de keuken meebrengt, dan is dat imperialisme.'

Faksisme

Algra's in retorisch opzicht schitterende klapstuk daargelaten, de Friezen hadden emancipatie geroken. In die zin had Kneppelfreed hen bewust gemaakt van hun eigen kracht. Het zal dan ook niet zonder bezorgdheid zijn geweest dat de overheid het hoger beroep afwachtte, dat Fedde Schurer tegen het vonnis op de bewuste vrijdag had aangespannen. Hij had een collega-cultuurdrager als advocaat in de arm genomen: Abel Herzberg. Een hoop verwikkelingen in de rechtszaal. Schurer mocht Fries spreken maar een getuige als genoemde Wijbinga wilde de eed slechts in het Fries afleggen en werd prompt niet ontvankelijk verklaard. Herzberg verloor zich al pleitend in literaire wendingen. Met als resultaat dat het eerdere vonnis werd bekrachtigd. Tijdens de zitting werd buiten het gerechtsgebouw een pamflet verspreid, waarin het politieoptreden op Kneppelfreed werd vergeleken met dat van de (door de Duitse bezetter opgeleide) Schalkhaar-agenten. Dat lokte wat actie van recherche en BVD uit. Maar van oproer was geen sprake meer. Twee maanden eerder was al een Regeringscommissie ingesteld die in 1953 aanbevelingen deed over het onderwijs in de Friese taal.

Toch zou het nog tot 1970 duren voor het Fries eindexamenvak werd op de middelbare school. Pas tien jaar later werd Fries verplicht vak op de lagere school.

Het Fries is dankzij het `imperialisme' waarover Algra sprak en de angst voor vrij, Fries separatisme voetje voor voetje achter de onderwijsvernieuwing aangeschuifeld. Aan Fedde Schurer, de veearts, de melkhandelaren te Oldeboorn, aan allen die de knuppel voelden op Kneppelfreed heeft het niet gelegen. Nog steeds staat die datum – Kneppelfreed, 16 november 1951 – gegrift in het geheugen van iedere, individuele Fries die geen geduld had om te wachten op het vrijheidsjaar 1968.

Peter Boomsma's documentaire biedt een levendig beeld van een datum in de twintigste-eeuwse Friese geschiedenis. Kneppelfreed werd het brandpunt van wat er in die dagen leefde: een cultuurbewustzijn, wakker geschud door onnozelheden, ongetwijfeld wakker gehouden door reminiscenties aan het hardnekkige Friese verzet tegen de Duitse bezetter in '40-'45, in een plattelandse wereld waarin de sociale, politieke en juridische verhoudingen feodaal waren naar begin twintigste-eeuwse snit.

Tegelijkertijd levert Boomsma, met zin voor detail en fraaie citaten, een vol kleurige facetten geslepen zakspiegeltje, waarin de Nederlander, Deen, Welshman, Stellingwerver of Bask van onze dagen kan kijken als hij denkt over hoe het straks moet met zijn taal en cultuur in dat grote `imperialistische' Europa.

Peter R. Boomsma: Kneppelfreed. Gevecht om de taal met wapenstok en waterkanon. Van Wijnen, 128 blz. ƒ19,50