Statistieken 2

Non-response is een erkend probleem in de statistiek. Het doet zich voor op veel terreinen binnen de statistiek, inclusief het marktonderzoek. Aan het einde van het jaar wordt er een groot congres van statistici en methodologen aan gewijd in de VS. Daar miste de volkstelling van 1990 bijna 5 miljoen mensen wegens non-response. In een terugblik op die telling, het meest complexe sociaal-wetenschappelijk onderzoek tot dusverre in de wereld, schrijft de toenmalige directeur van het US Bureau of the Census, Barbara Everitt Bryant: ,,Taking a census is a costly and complex operation. As we build the information highway, head counting is beginning to seem old-fashioned. Couldn't we do something more high-tech, some people ask, like combine all the administrative records already collected by the government? In fact, some of the world's nations do just this. Countries such as Denmark and The Netherlands no longer take population censuses.'' Hier kijkt iemand met, mag men aannemen, enige deskundigheid en verantwoordelijkheid, op tegen de aanpak van non-response die het CBS voorstaat.

In Nederland en de Skandinavische landen zijn (overheids)-registraties, in tegenstelling tot die in de VS, uitgebreid en betrouwbaar genoeg om een betere basis voor onderzoek te verschaffen dan enquêtes. Uiteraard worden dergelijke registraties ook gebruikt om non-response van het soort dat politicoloog Visscher zulke zorgen baart, op te vangen. Ze was mede aanleiding dat het CBS enkele jaren geleden in een evaluatie door The Economist werd bestempeld tot een van de drie beste nationale statistische bureau's in de wereld.

Non-response op statistische enquêtes varieert sterk per land. In Duitsland en Nederland loopt deze relatief hoog op, soms tot tegen de 50 procent. Zulke verschillen duiden niet allereerst op gebrek aan opleiding en interesse, zoals Visscher, of op gebrek aan tijd, zoals hij het CBS aanwrijft. Eerder lijkt er een samenhang te zijn met de sterke individualisering die in Nederland heeft plaatsgevonden, resulterend in een reactie van de te enquêteren persoon in de trant: `daar heeft een ander niks mee te maken'.

Terecht spreekt Visscher consequent over het steekproefonderzoek van het CBS. Daar richt hij zijn pijlen op. Dit soort onderzoek staat bij het CBS, en elders, inmiddels allang niet meer los van andere onderzoeksopzetten en gegevensverzamelingen, zoals directeur Sociaal-economische Statistieken CBS Van Bochove, omstandig betoogt. Verder is het goed te bedenken dat het steekproefonderzoek onder personen slechts een fractie van de totale gegevensverzameling van het CBS betreft. Het steekproefonderzoek onder bedrijven en integrale administratieve bestanden leveren de gegevens voor het merendeel van de publicaties van het CBS. Daarbij doen zich wel problemen voor, maar nauwelijks die van non-respons. We mogen uit Visscher's kritiek dus niet de conclusie trekken dat geen van de onderzoeksresultaten van het CBS nog geloofwaardig zouden zijn. Hij heeft een wezenlijk probleem bij het verzamelen van betrouwbare statistische gegevens aan de orde gesteld. Maar hij heeft zich onvoldoende geïnformeerd over de wijze waarop statistici daarmee omgaan.

    • Marcel van den Broecke
    • Dir.Intern. Statistical Institute