Meer kunst dan pop

Niet alle pogingen van jonge beeldende kunstenaars om popmuziek te maken, blijven steken in vage experimenten. Damien Hirst scoorde met zijn nummer `Vindaloo' in Engeland een hit, een nummer van het kaliber van Johan Cruijffs single `Oei oei oei, dat was me weer een loei'.

Gavin Turk is geobsedeerd door roem. Al een paar jaar geleden ontwierp de kunstenaar een emaille bord zoals je die wel op huizen van Engelse beroemdheden ziet hangen. Op dit exemplaar stond de tekst `Gavin Turk, Sculptor, worked here 1989-1991', al had toen niemand nog van hem gehoord. Of neem Pop, een levensgroot wassen beeld van Turk zelf, waarbij hij in de houding staat (met getrokken pistool) die Andy Warhol gebruikte om Elvis Presley af te beelden. Bovendien heeft de kunstenaar zijn evenbeeld precies de kleren aangetrokken die Sid Vicious, bassist van de Sex Pistols, droeg toen hij optrad met Frank Sinatra's `My way'. Pop is daardoor een opeenstapeling van roem geworden: Frank Sinatra zit erin, Elvis Presley, Andy Warhol, Sid Vicious — en Turk heeft zichzelf daar handig tussen gemanoeuvreerd.

Onlangs slaagde Turk er echter in echt tot de rangen van Sinatra, Presley en Vicious door te dringen: toen verscheen We love you, een verzamel-cd met achttien nummers waarop Turk hoogstpersoonlijk `My way' zingt, of daar in ieder geval een poging toe doet. Tegen een achtergrond van blikgeroffel en kunstmatige violen knort de kunstenaar met afgeknepen stem fameuze zinnen als And now the end is near/ and so I face the final curtain. En hoewel Turk pas 37 is en zijn zangpoging nergens naar klinkt, heeft het iets ontroerends, iets vertederends ook. Omdat je weet dat Turk zo graag wil, omdat `My way' echt iets betekent in zijn oeuvre.

Zou je Turks zangprestaties daarmee nog onder het kopje `conceptuele kunst' kunnen vangen, de reden waarom de zeventien andere kunstenaars aan We love you meedoen is een stuk troebeler. Zo is het is tamelijk raadselachtig waarom de Engelse kunstenaar (en Turner Prize-genomineerde) Sam Taylor-Wood samen met de Pet Shop Boys de beroemde meehijger `Je taime, moi non plus' om zeep helpt — toch doet ze dat op We love you, net zoals een keur aan andere kunstenaars en muzikanten aan het project meedoen. We horen Gilbert & George voorbij trekken (al horen we van hen vooral computergestuurd gemurmel), net als hun generatiegenoot Barry Flanagan en een hele reeks kunstenaars van de Young British Artists-generatie: Turner Prize- winnaar Chris Ofili, Marc Quinn, Tracey Emin, Jake Chapman. En ook de popmuzikanten zijn niet de minsten: de Pet Shop Boys doen mee, Arthur Baker (producer van onder anderen New Order en Cyndi Lauper), Boy George, Stranglers-gitarist Hugh Cornwell en Brian Eno. Allemaal werden ze samengebracht door `The Ambassadors', twee anonieme producers die zichzelf in het bijgevoegde, glanzende 112 bladzijden tellende boek laten vertegenwoordigen door het gelijknamige, mysterieuze schilderij van Hans Holbein (en dat zonder concurrentie het beste kunstwerk in het hele project is).

Cruijff

Op het eerste gezicht is We love you dan ook vooral een novelty-cd, een plaat die meer op basis van de roem van de uitvoerenden is gemaakt dan op grond van hun muzikale capaciteiten — te vergelijken met de Johan Cruijff-single `Oei oei oei, dat was me weer een loei'. Het is bovendien veelzeggend dat de deelnemende muzikanten voornamelijk producers zijn: de kunstenaars mogen, volgens de wetten van de novelty-single, de zangpartijen weliswaar voor hun rekening nemen, zingen kunnen ze geen van allen. Om hun bijdragen toch draaglijk te maken zijn hun stemmen meestal dan ook vervormd of vervaagd en aangekleed met achtergrondkoortjes en swingende gitaren. En daardoor klinken veel nummers op We love you toch nog heel acceptabel — veel redelijke techno-pop, een paar geluidsexperimenten, en als hoogtepunt Georgina Starr die vertedert doordat ze klinkt als een actrice uit Coronation Street die mag meezingen in een musical.

Maar ondanks het matige peil van de muziek is We love you verre van vrijblijvend. Dat blijkt al uit het pretentieus vormgegeven boek, maar ook uit het feit dat de plaat niet via platenzaken maar via kunstboekhandels wordt gedistribueerd en bovendien meer dan 90 gulden kost — daar kun je een cd van zowel Boy George, Brian Eno als The Stranglers van kopen. Nog veelzeggender is dat We love you niet de enige plaat van beeldende kunstenaars is die onlangs verscheen. Sterker nog: de ene `kunst-cd' verschijnt op dit moment na de andere. En net als de kunstenaars op We love you worstelen ze allemaal met de grens tusen kunst en pop.

Helemaal nieuw is de bemoeienis van kunstenaars met popmuziek niet, maar het belangrijkste verschil met vroeger is dat de twee kunstvormen toen nog duidelijk gescheiden bleven. Vooral aan het begin van de jaren zeventig werden veel jongeren met kunstenaarsambities popmuzikant. Brian Ferry van Roxy Music volgde de kunstacademie, Rick Wright en Nick Mason van Pink Floyd studeerden architectuur en ook David Bowie toonde aanvankelijk artistieke aspiraties. Maar ze kwamen nooit op het idee dat ze hun muziek ook als kunst konden verkopen - zelfs de Velvet Underground niet, hoewel Andy Warhol de hoes voor hun eerste plaat ontwierp.

Het beste voorbeeld van de nieuwe `popkunst' is de Owada, de band van de Engelse kunstenaar Martin Creed. Creed is in Engeland bekend van een hele reeks conceptuele beelden die hij steevast nummert. Op de biënnale van Sydney bijvoorbeeld stortte Creed een kamer halfvol met opgeblazen witte ballonnen (Work 200: half the air in a given space). Bovendien trad hij op met Owada. De band speelt strakke, puntige popsongs, zelden langer dan twee minuten en meestal zonder de traditionele opbouw couplet/referein. Dat doen ze heel geloofwaardig, en ze zouden dan ook een goede, onconventionele popband zijn als Creed zijn numerologische voorkeur niet ook op zijn teksten zou uitleven: zo bestaat de tekst van `1-100' inderdaad uit de woorden een tot honderd (het is een van Owada's langste nummers), en in `Nothing' zingt hij slechts dat ene woord. De muziek van Owada is ondertussen wel zo goed dat kunst en pop vloeiend in elkaar overlopen — en dat is natuurlijk het beste dat een `popkunstenaar' kan bereiken.

Krampachtig

Maar wat Creed lukt, lukt andere kunstenaars zelden. Vaak is het popmuziek die alleen maar bestaansrecht heeft omdat het zogenaamd kunst is, of het is kunst die zich krampachtig als popmuziek probeert te vermommen. Die laatste variant komt vermoedelijk voort uit het feit dat heden ten dage alles wat door een kunstenaar gemaakt wordt kunst kan zijn. En dan kan het voor een kunstenaar heel verleidelijk zijn, na jaren van werken in je eentje en daarmee slechts een beperkt wereldje van musea, galeries en rijke kunstkopers te bereiken, om een plaat op te nemen in een studio of op te treden voor fans die enthousiast zijn, meezingen en klappen en dat te verkopen als artistiek commentaar op de pop-cultuur.

Daar staat tegenover dat het opvallend is hoe goed de muziek die kunstenaars maken vaak past bij hun beeldende oeuvre. Het ontroerendste voorbeeld daarvan is de Nederlandse kunstenaar Wouter van Riessen, die introverte foto's en schilderijen maakt waarop hij zichzelf afbeeldt, een onopvallende, bleke jongen met een trieste blik. Onlangs bracht Van Riessen de cd Napoleon of the Heart uit waarop hij, zichzelf begeleidend op gitaar, achttien nummers zingt — allemaal eigen composities, op twee na die van de blues-legenden Skip James en Robert Johnson zijn. Het pleit voor Van Riessen dat zijn eigen nummers zich daar goed tussen houden — het heeft bovendien iets komisch om de verlegen, tengere kunstenaar overtuigd een zwarte blues-zanger uit het Zuiden van de Verenigde Staten te horen nadoen.

Nog verwarrender is Cars, bikes, walking van de Amerikaanse kunstenaar Dan Geesin. Geesin schijnt de zoon van Ron Geesin te zijn, een muzikant die in 1970 nog een plaat met Pink Floyd-gitarist Roger Waters maakte. Geesin junior studeerde aan de Ateliers in Amsterdam en bracht onlangs zijn eigen cd uit, begeleid door een klein (gesigneerd) boekje met tekeningen. Bij Geesin heb je sterk het gevoel naar kunst te luisteren — de instrumentatie is minimaal (meestal niet meer dan een pingelende keyboard of een eenzame gitaar) en hij is ook de enige die af en toe direct over kunst zingt. `Mr. Tom' bijvoorbeeld gaat over zijn Ateliers-jaargenoot Thomas Houseago (`Hey Tom/ you are the King/ of figurative sculpture') maar, net als bij Gavin Turk is enige achtergrondkennis wel vereist om Geesins teksten te kunnen plaatsen. Net als Napoleon of the Heart is Cars, bikes, walking niet gemaakt om vaak op de radio gedraaid te worden en is het ook meer kunst dan pop — bij Geesin en Van Riessen heb je geen moment het gevoel dat ze muziek maken om zich tegen de glamour van de popmuziek aan te schurken.

Dat het ook heel anders kan bewijst Damien Hirst, de koning van de Young British Artists waar ook Turk, Quinn en Sam Taylor-Wood deel van uitmaken. Door het feit dat zij allemaal meededen aan We love you viel het op dat Hirst ontbrak — maar die was, geheel in stijl, al met een eigen platenproject begonnen. Afgelopen zomer kwam hij, samen met onder anderen Joe Strummer van the Clash en Alex James van Blur, als de groep Fat Les met de single `Vindaloo', een café-meebruller, gemaakt om het Engelse voetbalelftal aan te moedigen met een tekst als `We're from England, we're gonna score one more than you' — en die, geheel in de stijl van Midas Hirst, niettemin in de top drie van de Engelse hitparade belandde. `Vindaloo' was ongeveer van hetzelfde kaliber als Johan Cruijffs `Oei, oei, oei' maar dat zal Hirst niks uitmaken: het doel van zijn kunstenaarschap is in toenemende mate om beroemd te blijven.

We love you. Uitg. Booth-Clibborn Editions, 112 pag. plus cd. Prijs ƒ91,-. (ISBN 1 86154 088 4).

Dora Garcia. cd. Uitg. Artimo. Prijs ƒ39,95. (ISBN 90-75380-06-2)

Dan Geesin: Cars, bikes, walking. Met boekje met tekeningen, oplage 250. Dream 2 Prijs ƒ35,-

Wouter van Riessen: Napoleon of the Heart, (Stemra 6925). Prijs ƒ29,90.

Owada: Nothing. (Piano 508). In Nederland moeilijk verkrijgbaar, wel via Internet te bestellen: www.voiceprint.co.uk/artists/owada.htm

    • Hans den Hartog Jager