Lopen over lijken

Er zijn schrijvers die hun lezers graag willen verontrusten, die verklaren dat ze geen belangrijker opdracht zien `dan de absurditeit, desnoods met de voorhamer, bij mijn lezers erin te slaan'. Deze beginselverklaring komt uit Wilfried Hendrickx' eerste roman Het infrarood en het ultraviolet (1997), maar werd toen niet waargemaakt; het boek dat onder andere een afrekening met W.F. Hermans, het grote voorbeeld van Hendrickx, moest zijn, was niet meer dan het werk van een veelbelovende epigoon. In zijn nieuwe en wèl verontrustende boek Rauwolf lijkt de schrijver op eigen benen te staan, hoewel de hoofpersoon en de ideeën van de schrijver hun Hermansiaans karakter behouden hebben: wederom moet de solitaire, onbegrepen held ontdekken dat achter alle idealen en beschaving niks anders dan eigenbelang schuilgaat.

Victor Rauwolf zegt het als bejaard man aan het eind van het boek zo: `Alleen bij groot gevaar of hoge nood leert ge iets over uzelf of over de anderen.' Wat je dan leert is dit: `Voor uw eigen geluk moet ge over het lijk van de anderen lopen.' Dit soort `naakte inzichten' doen zich altijd weinig aantrekkelijk voor, maar wie de voorafgaande geschiedenis van Rauwolf heeft gevolgd kan in zijn woorden een grote betekenis leggen.

Rauwolf komt aan het begin van de Tweede Wereldoorlog in Leuven in contact met een communistische verzetsgroep, in opdracht waarvan hij zo'n acht verraders liquideert. Hij verkeert in de veronderstelling dat hij hiermee de goede zaak dient, terwijl hij in werkelijkheid meer leed veroorzaakt dan hij helpt voorkomen: tientallen mensen worden vanwege zijn acties door de Duitsers geëxecuteerd. Het is zoals hij in een lucide moment beseft: `Ik zoek het goede en kom altijd weer op het kwade uit. Als ik mij voor iemand inzet, word ik bedrogen.'

Het verzet, zo moet Rauwolf ontdekken, is vergeven van mensen die hun eigenbelang achternajagen. De leider van de groep, Jackson, blijkt een opportunist die als hij gevangen genomen wordt iedereen verraadt en zich bekeert tot de nationaal-socialistische leer. Ook Rauwolf zelf kan als hij eenmaal is opgepakt de belofte dat hij nooit zal doorslaan niet gestand houden, wanneer ze hem zwavelzuur willen laten drinken. In gevangenschap, waar overleven het enige is dat telt, komt hij tot het zelfinzicht dat hij, tot aan zijn laatste dagen als oude man die in zijn herinneringen aan de oorlog leeft, zal behouden: `Het leven is onbelangrijk. Bijna alles is ballast.'

Ondanks deze nihilistische boodschap is Rauwolf een opwekkend boek, omdat het spannend en goed geschreven is. Vooral in het laatste deel, dat gaat over Rauwolfs verblijf in het concentratiekamp Braunhausen, zijn ontsnapping en de gevaarlijke tocht terug naar huis, weet de schrijver een dreigende sfeer op te roepen die doet vergeten dat dit soort verhalen al honderden malen in boeken en films verteld is. Maar anders dan in de meeste van die boeken en films eindigt de tocht niet in vreugdevolle vrijheid: als Rauwolf terug in Leuven is, past hij niet meer in zijn oude leven, dat één grote leugen lijkt. `Mijn beste jaren zijn voorbij', moet hij concluderen. `Alle gevaren heb ik doorstaan, alleen om aan het einde van het verhaal vast te stellen dat ik een verliezer ben.'

Wilfried Hendrickx: Rauwolf. Houtekiet/De Prom, 272 blz. ƒ34,90