Kosovo als conflicthaard

Bergachtige regio, eenderde van Nederland, twee miljoen inwoners (van wie 90 procent Albanezen). Op 28 juni 1389 het toneel van de Slag op het Merelveld, waarbij de Serviërs hun historische nederlaag tegen de Turken leden en voor vijf eeuwen hun onafhankelijkheid verloren. Werd in de navolgende decennia door de Turken bezet. Bleef Turks toen Servië in de 19de eeuw onafhankelijk werd. Bij Servië gevoegd in 1912, toen de Turkse heerschappij op de Balkan met twee Balkan-oorlogen werd gebroken.

De Serviërs vormen een kleine minderheid, maar in Kosovo staan de belangrijkste Servisch-orthodoxe kloosters en de regio wordt door de Serviërs beschouwd als hun `wieg' en hun hartland. De legenden en mythen rond de slag van 1389 vormen het grote Servische epos, het klassieke verhaal van heldendom, martelaarschap, vaderlandsliefde en verraad.

In de Tweede Wereldoorlog door de Duitse en Italiaanse bezetters kortstondig verenigd met Albanië. In 1944 en 1945 beloofde Tito de Albanezen zelfbestuur, maar pas in 1974 kregen ze die beloofde provinciale autonomie. Dat leidde tot toenemende animositeit met de Serviërs, die klaagden dat de Albanezen zich gedroegen alsof Kosovo een republiek met de gelijke status als Servië was. Eind jaren tachtig ontketende de Servische leider Slobodan Miloševic een felle nationalistische campagne rond dat Servische ongenoegen, die er in 1989 toe leidde dat Kosovo zijn autonomie kwijtraakte.

Het nieuwe Servische bestuur verdrong de Albanezen uit hun banen in het onderwijs, de ziekenzorg, de media en de overheid. De Albanezen gingen over tot passief verzet, riepen een `Republiek Kosovo' uit en vestigden een ondergrondse samenleving, met scholen, een universiteit, ziekenhuizen, uitvoerende organen en een belastingstelsel, dit alles geleid door de LDK (Democratische Liga van Kosovo) van Ibrahim Rugova, in 1992 gekozen tot `president' van de `republiek'.

Rugova's beleid van geweldloosheid begon vooral na het vredesakkoord van Bosnië in 1995 zijn aantrekkelijkheid te verliezen omdat het niet tot doorbraken leidde in de richting van een oplossing van de kwestie. In de loop van 1997 stak een schimmig Kosovo Bevrijdingsleger (UÇK) de kop op: UÇK-guerrillastrijders pleegden aanslagen op Serviërs en Albanezen die collaboreerden met de Servische overheid. In februari vorig jaar besloot Belgrado dit rafellegertje onschadelijk te maken.

Die campagne introduceerde het geweld op grote schaal in Kosovo: dorpen werden platgebombardeerd, honderdduizenden mensen sloegen op de vlucht en tweeduizend burgers kwamen om het leven. Op dit moment zijn er nog altijd 210.000 vluchtelingen binnen Kosovo, 60.000 in de buurlanden en 100.000 in West-Europa.

Het grove geweld van de Serviërs plaatste eindelijk de kwestie-Kosovo op de internationale agenda. In oktober vorig jaar stemde Miloševic onder dreiging van NAVO-acties in met een bestand en een gedeeltelijke terugtrekking van zijn troepen uit Kosovo. Het UÇK heeft per saldo van de campagne geprofiteerd: de Servische wreedheid radicaliseerde de Kosovaren en het UÇK werd overstroomd met vrijwilligers en kan nu op elk gewenst moment de staande militaire macht van 10.000 tot 15.000 man uitbreiden tot 50.000. Het UÇK heeft na oktober veel van de door de Servische politie ontruimde stellingen ingenomen en controleert eenderde van de regio. De Servische campagne heeft het UÇK ook gedwongen zich te herstructureren en te centraliseren en een generale staf te vormen. De campagne heeft tenslotte het onbedoelde effect gehad dat het UÇK niet meer te negeren is als factor bij het zoeken van een oplossing voor de kwestie.