`Ik dicht de gaten in mijn levensverhaal'

De Duitse schrijfster Emine Sevgi Özdamar maakt van haar leven een roman met de kracht van een mythe. In haar tweede roman, De brug van de Gouden Hoorn, beschrijft ze het leven van een vrouw tussen Turkije en Duitsland, met het ene verbluffende beeld na het andere.

Een goed boek geeft de lezer een paar nieuwe ogen. De brug van de Gouden Hoorn is een van die zeldzame goede boeken. Heb je het uit, dan zijn tenminste twee plekken op aarde voor altijd betoverd. Je bent in Berlijn, in het echt of in je verbeelding, en je zult het Hebbeltheater niet kunnen passeren zonder naar de overkant te kijken: daar woonden dus Turkse vrouwen. Je bent in Istanbul en in de Zee van Marmara zul je de verboden boeken zien drijven die men erin smeet uit angst voor arrestaties.

Emine Sevgi Özdamar maakte van haar leven een roman met de kracht van een mythe. Haar heldin: een meisje uit het Aziatische deel van Turkije dat in 1966 in Europa komt werken. Als gastarbeidster bij Telefunken. Twaalf uur per dag moet ze elektriciteitsdraadjes in radiolampen monteren. Het gaat haar niet om het geld. Achttien is ze, ze wil toneelspeelster worden en ze wil van haar maagdenvlies af. In het tweede deel van de roman keert ze ontmaagd en wel voor een tijdje terug naar Turkije en daar, begin jaren zeventig, sluit ze zich aan bij het verzet tegen de dictatuur.

Özdamar brengt de persoonlijke en politieke ontwikkeling van dit meisje naïef maar nauwkeurig in kaart. Ze legt niets uit, ze laat alleen maar zien. Het ene verbluffende beeld na het andere. En ieder beeld gaat samen met een versgeleerd woord. Het tehuis voor Turkse gastarbeidsters heet Wonaym, of in de pas verschenen Nederlandse vertaling, tehois. En het kapotte Anhalter Bahnhof heet, omdat `gebroken' in het Turks ook `beledigd' betekent, `der beleidigte Bahnhof': het beledigde station. Emine Sevgi Özdamar schrijft haar boeken direct in het Duits. Haar eerste roman Das Leben ist eine Karawanserai (1992) eindigde waar Die Brücke vom Goldenen Horn (1998) begint: bij de driedaagse treinreis van het Turkse meisje naar Duitsland.

Nu reist Özdamar, geboren in 1946 in Malatya, Anatolië, en al heel lang wonend in Düsseldorf, met de trein door Nederland. Voor een lezing maakt ze een stop in Amsterdam en ze is moe. Toch spoelt er een golf van opwinding door de horecagelegenheid waar het interview plaatsvindt. Kelners snellen toe, meisjes draaien hun hoofd om, een fotograaf legt een sjaal om haar hals omdat ze even rilde. Natuurlijk: deze vrouw is niet alleen schrijfster maar ook actrice.

Wat voor invloed heeft het medium film op uw schrijven?

``Een film heeft geen gaten, het dagelijks leven wel. Als ik schrijf haal ik met een strenge dramaturgie de gaten uit mijn levensverhalen. De sprekende details laat ik staan.''

Een regisseur in De brug van de Gouden Hoorn geeft het meisje de volgende raad: `Wanneer je een goede toneelspeelster wilt worden, slaap dan met mannen.' Heeft u baat gehad bij dat advies?

``Ach, zulke kreten horen bij de jaren zestig. De filosofie was: `Een bewuste vrouw bedrijft bewust de liefde; ze verkoopt zichzelf niet en laat zich niet behandelen als het bezit van een man.' Dat maakte allemaal deel uit van het protest tegen de gevestigde orde.''

Maar was het praktizeren van de vrije liefde goed voor de kunst?

``Het is mooi om de mogelijkheden van je lichaam te leren kennen. Het lichaam bewaart je emoties. In lagen, zoals ook een oude civilisatie uit lagen bestaat. Grote gevoelens als haat, liefde, dood gaan via je lichaam naar je hoofd. Het schrijven van een boek is een lichamelijk proces.''

Hoe reageert men in Turkije op de libertijnse erotiek in uw werk?

``Minder verontwaardigd dan u misschien denkt. In mijn omgeving konden de vrouwen heel vrij over de mannen praten want die waren dikwijls afwezig. We imiteerden hen, we hadden dikke pret. Jullie Duitsers en Nederlanders denken dat alle Turken preuts en vroom zijn omdat jullie alleen Turken uit achtergebleven streken over straat zien lopen. Maar er zijn in Turkije ook redelijk liberale mensen.''

Het meisje heeft in Berlijn het gevoel dat haar vader haar achtervolgt.

``Toen ik net in Duitsland was, ja, toen was het alsof mijn vader achter me aan sloop. Nu weet ik: dat was híj niet, dat was ík. Ik was bang voor mezelf. Je verandert, dat is griezelig maar je houdt het niet tegen. En op een dag gaat de angst verloren omdat je beseft dat je alleen door te veranderen nieuwe dingen leert.''

Zoals het werk in de radiolampenfabriek.

``Dat die deur naar Duitsland openging, dat was een buitenkansje. Plotseling ben je in een andere eeuw. En daarin moet je functioneren, meteen. Wat niet naar is maar wel verbazingwekkend. In Turkije werd ik beschermd door de liefde van mijn familie. In Duitsland was ik een beetje eenzaam. Maar je in een jungle bevinden is van tijd tot tijd ook goed. De liefde van je familie trekt grenzen. Plotseling raak je die grenzen kwijt.''

Bent u nog communiste?

``Wat ik in Istanbul gezien heb, die arme verkopers en sjouwers, wat ik op het Turkse platteland heb gezien, die boerin van wie d'r land was afgepakt omdat ze analfabete was en het verkeerde papiertje had ondertekend: ik had zó'n medelijden. Ik wilde dat die armoe verdween. Ik wil nog steeds dat die armoe verdwijnt.''

Haalt u uw inspiratie uit sprookjes?

``De Grieken hebben het epos en wij Turken hebben de mondelinge overlevering. Mijn moeder trouwde heel jong, op haar veertiende. Toen ze voor het eerst in het huis van mijn vader kwam, gingen de mannen naar boven en beneden zat mijn moeder op een stoel naar de vrouwen te kijken. Mijn grootmoeder zat met de andere vrouwen op een groot bed en op hun knieën lag een deken waar ze met z'n allen aan breiden. Elk van die vrouwen vertelde een sprookje. Af en toe keek zo'n vrouw naar mijn moeder en zei: `Wat ben je nog klein, wat ben je nog jong.' En dan vertelde ze verder. Sprookjes, verhalen, boeken: zo kun je óók leven. Zo heeft men óók geleefd. De behoefte om te schrijven is niets anders dan een poging om duidelijk te maken waarom je plezier aan een ander beleefd hebt. Aan een getikte vrouw die je blootsvoets over straat hebt zien lopen. Aan een gebochelde hoer, een arm meisje: hoe zorgvuldig zij de gordijnen heeft opengetrokken. Waarom herinner je je dertig jaar later dit en niet iets anders? Dat móet betekenis hebben.''

Emine Sevgi Özdamar: De brug van de Gouden Hoorn. Uit het Duits vertaald door Gerda Meijerink. De Geus, 299 blz. ƒ49,90