Hoe zij paarden en katten gaven

Als een Nederlands schrijver een Nederlands boek schrijft, dan schrijft hij een verhaal dat echt gebeurd zou kunnen zijn. Daarom zet de schrijver op de omslag van zijn boek `roman'. Daarom vragen zijn lezers hem steeds weer of het echt gebeurd is. Daarom kan de Nederlandse literatuur zo allemachtig vervelend zijn. Daarom lees ik liever Cervantes, Homerus, Ovidius, Rabelais, Swift en nog een hoop buitenlanders zónder S in hun naam.

Laat ik de Nederlandse auteurs eens een nieuwtje vertellen. Het hoeft niet. U mag ook verhalen vertellen die niet alleen onwaarschijnlijk en tegenstrijdig en raadselachtig zijn – dat doet u zonder opzet vaak genoeg – maar die nooit echt gebeurd kunnen zijn omdat de natuurwetten er niet in gehoorzaamd worden. U zult wel van de recensenten op uw kop krijgen, maar de lezers zullen het waarderen als u tenminste schrijven kunt. Want als een auteur de natuur niet meer gehoorzaamt, dan is alles mogelijk. En dan moet je een sterke schrijver zijn om er toch iets moois van te maken. Het is als met moderne kunst. Je hoeft als schilder niet meer iets te schilderen dat lijkt op dingen die we ook zonder tussenkomst van een schilderij kunnen zien. Daarmee is het schilderen moeilijker geworden.

Van Ferdinand Bordewijk worden altijd één dikke roman en één dunne roman gelezen. Uit mijn raam kijk ik op een rij Fransen die de film Karakter willen gaan zien. Wie op school zit leest Bint, al is het maar om je school meer te waarderen.

Bordewijk heeft nog veel meer geschreven. Acht jaar geleden verscheen het dertiende en laatste deel van zijn Verzameld Werk. Als ik met de bus moet, neem ik altijd een deeltje mee want het zijn korte verhalen die je in één busrit kan lezen. Bordewijk is een verhalenschrijver. Karakter en Bint zijn uit de hand gelopen verhalen. Het gaat bij Bordewijk altijd om een idee. Je blijft als je zo'n verhaal uit hebt, altijd even voor je uit mijmeren en terugbladeren en mompelen `Aha!' of `Hè?'.

Wat is dat idee? Onzinnige vraag, want natuurlijk ligt aan elk verhaal een ander idee ten grondslag. Maar als je ze allemaal gelezen hebt, en doe daar rustig twee jaar over, dan heb je toch het idee dat er achter al die ideeën een idee steekt. Dat idee is natuurlijk de gedachtewereld van F. Bordewijk, maar het is ook zijn presentatie. Het is opvallend hoe verhalen die door dertig jaar gescheiden zijn toch op elkaar lijken. In stijl zijn er grote verschillen. In inhoud zijn er grote verschillen. Maar er is een gemeenschappelijke grondtoon. Die van een conservatieve man die bang is voor vrouwen en dus gefascineerd door bordelen? Zeker. Die van een francofiele erudiet die naast zijn advocatenberoep als ware amateur schreef wat hij wilde schrijven en zich van het domme publiek niets aantrok? Zeker. Maar er is een diepere grond en Dorian Cumps heeft die in zijn boek duidelijk en aannemelijk aan ons voorgezet.

Viool

Het is u misschien wel eens opgevallen dat wanneer de hoofdpersoon van een roman verdrietig is, het in zijn boek vaak gaat regenen of stormen. Vrolijkt hij weer op, dan begint de zon te schijnen en de viool te kwinkelen – o nee, dat is in de film. De schrijver heeft wat in de ziel van de hoofdpersoon gebeurt meteorologisch opgevat. Wat binnenin zat is naar buiten gekomen. In het echte weer kan dat niet gebeuren, want er zijn op één plek altijd blije en droeve mensen en het weer kan dus niet ieders ziel navolgen. Ik gebruik het woord ziel niet graag, want je denkt dan gauw aan zonde en leven-na-de-dood, maar het klinkt beter dan innerlijk en de Grieken hadden al een psyche voor de christenen zich er meester van maakten.

Cumps laat in zijn boek zien dat Bordewijk in zijn niet-realistische verhalen steeds aan de omgeving waarin de hoofdpersoon rondloopt, de huizen die hij binnengaat, de dieren en mensen die hij tegenkomt, een vorm geeft die verraadt hoe het met zijn ziel is gesteld. Hij leende een term van de Spanjaard Prudentius die 1600 jaar geleden Psychomachia schreef, zielenstrijd. Machia is oorlog en heeft niets te maken met magie.

Elk verhaal dat over levende mensen gaat behandelt een zielstrijd. Het bijzondere van Bordewijk is dat hij die strijd naar buiten brengt in de beschrijving van wat de bezitter van de ziel allemaal meemaakt. Men beweert dat in een droom iets dergelijks gebeurt en het is een feit dat er nogal wat dromen bij Bordewijk voorkomen en dat, ook als er niet over een droom gesproken wordt, de hoofdpersonen vaak lijdzame, passieve figuren zijn aan wie de dingen overkomen.

Ik heb u het geheim van Bordewijk verteld en nu weet u nog niets. Is het wel zo? En hoe zit het precies? Dan moet u De eenheid der tegendelen lezen. Cumps dient het zorgvuldig op. Hij kan op bijna niemand terugvallen, want de Nederlandse geleerden hebben over Bordewijks verhalen weinig te vertellen gehad. Twee hebben beweerd dat het Bordewijk erom te doen was het goede, en christelijke, te laten winnen. Dat is gelukkig niet zo.

Cumps begint met zijn psychomachisch idee toe te passen op één verhaal, Dat verhaal moet u natuurlijk eerst zelf lezen, dan zult u zien dat Cumps er veel meer uit haalt dan u zag. Nu we weten hoe psychomachie werkt, kunnen alle niet-realistische verhalen ermee aangepakt worden. Daarbij komt de uitlegger met een ongehoorde schat aan soortgelijke verhalen uit de Westerse literatuur en met plaatjes die Bordewijk rechtstreeks of onrechtstreeks geïnspireerd moeten hebben. Zo heeft Cumps in de British Library een prent uit 1622 gevonden waar Hermes in een tuin staat bij een androgyne verschijning die op één romp een vrouwenhoofd en een mannenhoofd draagt. Hoe het onderaan haar en zijn rompt zit wordt door een knie verborgen. Het is precies de scène die Bordewijk beschrijft in het verhaal `Confrontatie in het lattenprieel'.

In het verhaal, of de korte roman, Rood Paleis vertelt iemand over een visite aan een anatomisch museum met Siamese tweelingen en andere monsters. Cumps laat ons een foto zien van die tweeling uit 1877 die in een rondreizend rariteitenkabinet optrad. Nog mooier is natuurlijk als het om de versmelting van Venus met Mars gaat.

Misschien kunt u nu al raden wat Bordewijks obsessie was, of in ieder geval over welke obsessie zijn verhalen verdacht graag gaan. De hermafrodiet. De ongesplitste mens. Maar ook: de vrouw met manlijke delen. Cumps toont het vele malen en ik denk dat hij ze nog niet allemaal gehad heeft. Neem de man die bang was voor paarden. Hij zit in een Praags griezelverhaal, dat eigenlijk de griezelverhalen doet griezelen. De paardofoob wordt namelijk vier keer achter elkaar wakker uit een nachtmerrie. Niet achter elkaar maar in elkaar. Het Frans heeft daar de uitdrukking mise en abîme voor, wij spreken van het Droste-effect. Bij de vierde keer weet de hoofdpersoon opeens dat hij J.C. van der Put heet en hij roept: `Ditmaal is geen twijfel mogelijk!'. Maar als Put later in Praag komt, blijken allerlei dingen te kloppen met wat hij daarvoor onder een andere naam droomde. De zekerheid van Descartes en Put is geen zekerheid.

Kuk en Put

Cumps laat zien dat de man lijdt aan `angst voor paarvorming'. Ben ik gek dat ik daarin de verklaring zie voor zijn angst voor paarden? Zeg eens eerlijk: Hoe las u de zin boven dit artikel? Las u: `Hoe zij paarden gaven en katten gaven' of ging uw gedachte uit naar de lezing `Hoe zij paarden en hoe zij katten gaven'? In dat verband: de man heet Put. Zijn vrouw heet Kuuk, maar Cumps maakt duidelijk dat dit Kuk is, van het Koninklijk und Keizerlijk Oostenrijk. Kuk en Put, denkt u niet aan twee andere woorden, vooral als Bordewijk beweert dat je in Praag vaak namen op ik hebt? U dacht dat niet, maar ik wed Bordewijk in 1921 wel.

Cumps gaat nooit te ver. Nu goed: de Passeerdersgracht waar het Rood Paleis aan lag, heet echt zo. Maar hij zegt niets over het feit dat de paardenhuiveraar ineens een artikel tegen George Eliot gaat schrijven. Dat was een vrouw die deed of ze een man was. En waarom heeft Put na een nachtmerrie opeens een baard? Omdat baard rijmt op paard! Zo draaft Cumps nooit door. Zijn betoog is helder en klaar. Ik heb twee opmerkingen die geen aanmerkingen zijn.

Ten eerste valt op hoe Frans dit Nederlandse boek georiënteerd is. We maken kennis met het dozijn auteurs Verne, Ponson de Terrail, Maupassant, Apollinaire, Brion, Breton, Aragon, Aymé, Gracq, Mandiargues, Béalu en Ray. Ook de kenners van hermafrodie, alchemie en esoterie zijn dikwijls Fransen. Dat komt goed uit, want Bordewijk was uitgesproken Frans ingesteld.

Ten tweede valt op dat Cumps weinig tot niets zegt over de beroemde Bordewijk-stijl. Eén keer heeft hij het over een hoge frequentie van k's op een pagina, een keer noemt hij de stijl van de eerste Fantastische Vertellingen anachronistisch en herinnerend aan de Tachtigers. Het was Cumps niet om de stijl te doen, maar om de merkwaardige en unieke wijze waarop Bordewijk de zielsavonturen van zijn hoofdpersoon zichtbaar maakte in het landschap waarin deze wandelt. Als u De eenheid in de tegendelen uit hebt, zult u Bordewijk heel anders gaan lezen. Nu het verschenen is, moet Bordewijks uitgever een royale bundel van zijn psychomachische verhalen uitbrengen, zodat er naast Bint en Karakter nog meer te lezen valt van onze geniale hermafrodietenvrezer.

Dorian Cumps: De eenheid in de tegendelen. De psychomachische verhaalwereld van F. Bordewijk en de mythe van de hermafrodiet. Amsterdam University Press, 301 blz. ƒ49,50