Het Kwaad moet gestraft, zo zijn we wel

Abbing en Van Cleeff schrijven kinderthrillers, maar ze houden niet van `moderne, bloederige spanning'. Ze houden van leuke spanning, van suggestie, van Hitchcock. Hun `De zwarte rugzak' kreeg vorig jaar een zilveren griffel, en nu is er `Wespeneiland'.

Drie kinderen eten broodjes op een filmset. Met kaas, met ham, met ei en spek, maar zonder jam of hagelslag. Zoetigheid is taboe, waarom weten de kinderen niet. Maar de lezer van Wespeneiland, een thriller voor kinderen van het schrijfstersduo Abbing en Van Cleeff, bekruipt een akelig vermoeden. De sfeer is stroperig van spanning.

Marja Roscam Abbing (52) en Marjet van Cleeff (43) zijn meesters in suggestie. Wespeneiland, hun derde gezamelijke boek, gaat over het manipuleren van de werkelijkheid, over feit en fictie. Vier kinderen bundelen hun krachten tegen Het Kwaad. Het Kwaad is volwassen, zoals altijd bij Abbing en Van Cleeff.

De schrijfsters schuwen clichés niet, dus vouwt de politie verveeld vliegtuigjes terwijl de spanning stijgt. De kinderen staan er alleen voor. Met gevaar voor eigen leven redden zij de wereld, of toch tenminste een stukje daarvan.

,,Als je schrijft voor kinderen, kun je je iets meer veroorloven,'' zegt Abbing. ,,Kinderen moeten hun clichékennis toch ergens opdoen?'' Een slechterik mag op een slang lijken, een filmster is blond en wankelt op torenhoge hakken. Tegelijkertijd frustreren Abbing en Van Cleeff de lezer voortdurend in zijn verwachtingen. Potentiële schurken blijken aandoenlijke ijdeltuiten, liefdevolle verpleegsters nietsontziende misdadigers. Leugens blijken waarheid en andersom.

Ook in hun dagelijks leven lijden Abbing en Van Cleeff aan een heftige drang tot mystificatie. Liefst verzwijgen zij hoe ze elkaar als bibliotheekmoeders op de Haagse Montessori-basisschool van hun vijf kinderen ontmoetten. Het bibliotheekmoederschap klinkt zo saai, vinden ze. Liever zeggen ze dat ze samen al een detective-bureau leidden, of, als concessie, dat ze in een bibliotheek bijna slaags raakten toen ze hetzelfde boek wilden lenen. Van Cleeff: ,,Dat boek was Vadertje Langbeen, dat weet ik heel zeker.''

Hitchcock

Van Cleeff studeerde Nederlands en deed daarna ondermeer correctiewerk voor uitgeverijen. In het geheim droomde zij van het schrijverschap. Abbing was journalist, maar haar leek de kloof tussen non-fictie en fictie te groot. Totdat Van Cleeff haar voorstelde samen een detective voor kinderen te schrijven. Het genre is een van hun gedeelde liefdes. Ze houden van Hitchcock, en van Dorothy Sayers. Van `moderne, bloederige spanning' houden ze niet. Hun boeken verschillen hemelsbreed van de momenteel zo gewilde griezelboeken. De spanning is beter gedoseerd en berust meer op suggestie. Het verhaal is minder eenduidig, het verhaalverloop verrassender.

Om te beginnen kochten Abbing en Van Cleeff beiden een dik grijs schrift. Bovenaan de eerste bladzijde schreven ze: `Wat leuk is'. Daaronder kwamen dingen te staan als `persoonsverwisseling', `complotten', `grotten met geheimen', `trucage'. Ook maakten ze een lijst met `tweestemmige boeken', zoals de brievenroman. Zo ontstond het idee voor hun eersteling, Struisvogelkoorts, dat uit twee dagboeken bestaat.

Al gauw gingen de schrijfsters echter in `elkaars' dagboek zitten rommelen. ,,Inmiddels zijn we zo ver dat ik in Wespeneiland haast niet meer weet wie welke passage op haar geweten heeft,'' zegt Van Cleeff. Om beurten schrijven ze een stukje, ,,zo'n anderhalf A4-tje per schooldag.'' Dan herschrijven ze hun eigen en elkaars bijdragen. Hun familieleden worden soms gek van de eindeloze stroom telefoongesprekken.

De plot ligt van tevoren vast, net als de personages, hoe ze eruit zien en wat voor achtergrond ze hebben. Tijdens het schrijven ontstaan zijlijnen. Vrijelijk schrappen en strepen ze in elkaars werk. Ruzie komt niet voor, wel heftige discussies, bijvoorbeeld over wat een personage nooit of juist wel zou zeggen. Van Cleeff: ,,We zijn maar heel kort beleefd gebleven.`

Twistpunten in het verleden waren bijvoorbeeld de aard van de misdaad, en of er mensen dood mochten gaan in hun boeken. Abbing: ,,Over geld moest het in ieder geval niet gaan, dat vinden we saai. Dan krijg je al gauw een gek. Verder wilden we in ieder geval een afrekening. Het Kwaad moet gestraft, zo zijn we wel, maar hoe?'' Namen van personages liggen gevoelig. Vaak hebben de schrijfsters hele andere associaties bij een naam, door het leeftijdsverschil, denken ze zelf. ,,Het is alsof je een naam voor je baby moet bedenken,'' zucht Van Cleeff. ,,Zo moeilijk.''

Struisvogelkoorts (1996) draait om een rage. Alle kinderen trachten een `yacca' te bemachtigen, iets wat het midden houdt tussen een computerspelletje en een knuffel. Een yacca is verslavend, vernietigt de persoonlijkheid, spoelt de hersenen. De schrijfsters voorvoelden de tijdgeest. Daags na het verschijnen van hun boek kwam de Tamagotchi op de markt. Het leidde op scholen tot precies die taferelen die Abbing en Van Cleeff al hadden beschreven. Kinderen die met glazige blik voortdurend in hun etui tastten, onderwijzers die strenge verboden uitvaardigden.

Abbing: ,,Wij zijn sinds ons debuut makkelijker gaan schrijven. Toen waren we alleen al in een gevecht met onze moedergevoelens. Steeds moesten we de neiging onderdrukken te denken: hé jongens, doe niet zo ongezellig. Er komt geen knetterende ruzie in Struisvogelkoorts voor.''

Keukentafel

,,We wilden ze ook steeds naar huis laten bellen, midden tijdens het avontuur, om te zeggen waar ze uithingen,'' vult Van Cleeff aan. ,,Of ze lieten een braaf briefje op de keukentafel achter.'' Uiteindelijk voelde het als een bevrijding dit los te kunnen laten.

Ze krijgen weleens te horen dat de hoofdpersonen uit hun boeken te zelfstandig optreden. Ze wijten dat aan hun Montessori-achtergrond. Abbing: ,,Er moet natuurlijk ook wel wat gebeuren. Als het gaat zoals in het echte leven gaan kinderen gewoon naar school en maken hun huiswerk. Dan heb je geen verhaal.'' Ze veroorloven zich `bedenksels' die op het eerste gezicht erg onwaarschijnlijk klinken. Alleen het idee van een grootmoeder die het op haar kleinkinderen voorzien had, belandde na drie maanden in de prullenbak. Niet omdat het te ongeloofwaardig was, maar omdat ze het zelf `te erg' vonden.

Hun kinderen zitten inmiddels op de middelbare school, maar het duo blijft schrijven voor `groep acht'. Abbing houdt van elf- tot twaalfjarigen, zegt ze: ,,Alles is dan nog interessant, de bestudeerde blaséheid van de middelbare school ontbreekt nog. Maar ze kunnen wel een stevig plot aan, en ook wat taal betreft hoeven we weinig concessies te doen. Wel kon de pretentie `wij schrijven boeken voor het beter lezende kind' niet geheel ontbreken. Wij waren nou eenmaal zelf van die beter lezende kinderen.''

Het tweede boek van Abbing en Van Cleeff, De zwarte rugzak, werd vorig jaar bekroond met een Zilveren Griffel. Het gaat over een universele kinderdroom: de hoofdpersonen spijbelen van het georganiseerde vakantiekamp. Ze trekken op hun eigen houtje Frankrijk in, slapen in een ruïne, eten wanneer het zo uitkomt. Een van de kinderen heeft haar bagage bij zich in een zwarte rugzak, die op het station verwisseld raakt met een andere zwarte rugzak. Daarin zit wat eten, een landkaart en een marmeren paardenbeen. Abbing: ,,De raarste dingen hebben in die rugzak gezeten en zijn er weer uit verdwenen. Maar dat paardenbeen bleef.''

Luiergaas

De research voor hun boeken is uitgebreid, al laten Abbing en Van Cleeff hun ongebreidelde fantasie nergens door hinderen. Het paardenbeen is gemaakt van giftig marmer, al bestaat dat niet. Voor De zwarte rugzak zocht Van Cleeff verder contact met een politiearts om te informeren naar dood door bevriezing. Abbing belde met hetzelfde doel een vrieskistenwinkel. ,,Ik werd helaas te woord gestaan door een dorre juffrouw die alleen maar kon zeggen: `Er zit een knopje aan de binnenkant, juffrouw'.'` Ook legden ze een stukje lever gewikkeld in luiergaas in de vriezer en gingen steeds kijken of je er nog in kon knijpen. Voor hun nieuwste boek kwamen ze van alles aan de weet over vliegers. Omdat het verhaal zich op een imaginair eiland afspeelt, besteedde een van hen een hele dag aan het maken van een eb- en vloedtabel.

De schrijfsters zien hun boeken zelf als een soort trilogie. De hoofdpersonen zijn per boek net iets ouder geworden. Waar in het eerste boek de kinderen nog verliefd worden op een speeltje, zoeken ze in het tweede boek zelf het avontuur op. Wespeneiland is psychologischer van aard. Belangrijker is wat zich tussen de kinderen zelf afspeelt, de nadruk ligt minder op de intrige. De personages zijn zich meer bewust van wie ze zijn hoe ze over willen komen. Tussen twee van hen ontstaat zeer voorzichtig iets als liefde.

Abbing en Van Cleeff zijn beducht voor een te hoog `Sanne van Havelte-gehalte'. Als er iets is wat ze niet willen schrijven, is het wel een `zoete meidenroman'. ,,Het is leuk als ze elkaar krijgen,'' zegt Abbing. ,,Maar niet te expliciet.'' Per boek staan ze zichzelf een `zoete meidenroman-zin' toe. Elke keer dezelfde: 'Zij beefde over heel haar lichaam'. Heerlijk vinden ze dat.

Abbing en Van Cleeff, Struisvogelkoorts, De zwarte rugzak en Wespeneiland zijn uitgegeven door Leopold. De titels zijn verkrijgbaar in de (kinder)boekhandel.