Hendrik de Man: De psychologie van het socialisme, 1926

Sommige klassiek geworden boeken – zelfs als ze hopeloos gedateerd zijn – had ik veel eerder willen lezen dan ik heb gedaan. Tot die boeken behoort De psychologie van het socialisme van de Belgische filosoof, theoreticus en politicus Hendrik De Man (1885-1953). Deze oorspronkelijk in het Duits geschreven afrekening met het marxisme verscheen in 1926. Een jaar later volgde de Nederlandse uitgave, in een vertaling van E.J. (Betsy) Brouwer, tweede echtgenote van de geharnaste communistische vakbondsleider Henk Sneevliet.

Niet voor niets werd De psychologie van het socialisme een internationale bestseller. Het gedachtegoed van De Man sloot aan bij dat van talloze socialistische intellectuelen die, na de schok van de Eerste Wereldoorlog en de teleurstellende uitkomst van de Russische revolutie, de leer van Marx ter discussie begonnen te stellen. Had het marxisme, dat geen rekening hield met de innerlijke drijfveren van mensen, niet gefaald in het voorzien en verklaren van het nationalisme en het patriottisme, waardoor in 1914 ook vooraanstaande socialisten waren meegesleept? De sociaal-democratie moest erkennen dat er, ondanks het marxistische dogma dat het proletariaat a fortiori internationalistisch is, wel degelijk zoiets als `nationaal gevoel' bestaat en dat rationele propaganda machteloos is tegen onbewuste menselijke drijfveren.

Nieuwe takken van wetenschap, in het bijzonder de psychologie, hadden in brede kring tot het inzicht geleid dat het deterministische historisch materialisme te beperkt was en onvoldoende mogelijkheden bood om het menselijk handelen in al zijn facetten te verklaren, laat staan te beïnvloeden. De tijd was rijp voor een vernieuwing, verdieping en verbreding van het socialistische denken, op basis van nieuwe inzichten over het menselijk handelen.

Omdat het einddoel van het socialisme een nieuwe gemeenschap en `een nieuwe mens' was, moest de strijd voor het socialistische ideaal naar het innerlijk worden verplaatst. Na de eerste fase van de revolutie, die zich in Rusland had voltrokken, behoorden nu de massa's te worden opgevoed tot innerlijke zelfbevrijding. Het socialisme diende niet meer louter als uitkomst van de klassenstrijd te worden gedefinieerd, maar als een ethische gezindheid. Degenen die dergelijke ideeën uitdroegen, noemden zich vormings-, gezindheids- of ethisch-socialisten. Hun theoretische leidsman werd Hendrik De Man, die de nieuwe inzichten verwoordde in De psychologie van het socialisme. Het typisch 19de-eeuwse, rationalistische marxisme voldeed niet meer volgens hem, het gaf geen antwoord op vragen die niet op mechanische wijze waren op te lossen en stond met lege handen op het gebied van de geesteswetenschappen, de psychologie, de godsdienst, de kunst en de moraal.

De Man ging aanzienlijk verder dan Eduard Bernstein een kwart eeuw eerder had gedaan. Had Bernstein in Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgabe der Sozialdemokratie (1899) aangestuurd op een `revisie' of `aanpassing' van het marxisme, De Man wilde zich `bevrijden' van dit in zijn ogen dogmatische stelsel, dat de socialisten `niet de wegen had gewezen, die konden voeren tot hun zedelijke plicht ten opzichte van de mensheid'. Het marxisme heeft niet genoeg gewild, schreef hij, omdat het niet genoeg begrepen heeft. `De bloedschuld die daardoor erop drukt, kan ik te minder vergeten, daar ik mijzelf belast voel met het gewicht van deze schuld. Mijn kritiek op het marxisme werd daardoor van het terrein van het weten verplaatst naar het terrein van het geweten.'

Hij deed uitspraken over de motieven van socialistische wereldverbeteraars, die vooral intellectuelen aan het denken moesten zetten. `Niet uit de lichamelijke nood der handarbeiders maar uit de zielenood der hoofdarbeiders is de socialistische idee ontstaan', schreef hij bijvoorbeeld. Prachtig legde hij ook het religieuze karakter van het op het oog zo rationele marxisme bloot, onder andere door een onderzoek naar christelijke symboliek in socialistische strijdliederen. Een religieuze trek sprak volgens De Man ook uit de pogingen van socialisten `de tijdrekening te verbinden met de verwachtingen der massa'. Net zoals `de verschillende vormen der christelijke eschatologie (het millennium!) ten nauwste met vragen der tijdrekening zijn verbonden', had de socialistische beweging volgens hem behoefte aan een eigen kalender. `Zij noemt zich Nieuwe Tijd, vroeger de meest geliefde titel van socialistische tijdschriften in alle landen.' En hij memoreerde dat bij het zestigjarig bestaan van de Eerste Internationale in 1924 de Engelse feestredenaar E. Belfort-Bax had gezegd: `Wie weet of niet een later tijd het jaar 1864 als grondslag voor de tijdrekening zal stellen in plaats van de christelijke.'

Van fundamentele betekenis was De Mans kritiek op de marxistische opvatting van democratie. Voor het marxisme, schreef hij, is democratie slechts een middel om de arbeiders, als meest talrijke klasse, aan de overwinning te helpen. `Deze begripsverhouding, socialisme als doel en democratie als middel, ligt even stevig verankerd in de marxistische denkwijze als die andere begripsverhouding `economische onderbouw en politieke bovenbouw', waarmee ze logisch verbonden is.' Hij wees erop dat uitgerekend deze denkwijze bij ijverige aanhangers van het socialisme `de tegenstand verlamt tegen de communistische dictatuurdweperij'. Slechts wanneer `tegenover het communistische bedriegelijke beeld van een socialisme zonder democratie de trotse opvatting wordt gesteld van een ethisch mensheidsideaal (...), slechts dan zal de communistische betovering een sterke massawil tegenover zich vinden', meende hij. In 1926, negen jaar na de Russische revolutie en zeven jaar voor machtsovername van Hitler, maakte hij al een vergelijking tussen communisme en fascisme: `Als men ziet hoe het algemeen mode is geworden de nadruk te leggen op de ontoereikendheid van de democratie als staatsvorm – waarbij men meestal in meer beperkte zin aan aan het parlementarisme denkt – zou men kunnen geloven, dat de democratische gezindheid werkelijk een overwonnen standpunt is, zoals communisten en nationaal-fascisten proclameren. Zij die zo spreken, vergissen zich heel erg in hun eigen innerlijke motieven.'

Wegens dit soort uitspraken, waarin de in naam van het communisme bedreven gewelddaden niet als aberratie van het marxisme worden beschouwd maar als consequentie ervan, had ik graag eerder kennis gemaakt met De psychologie van het socialisme. Bijvoorbeeld begin jaren zeventig, toen het neo-marxistische denken aan een kritiekloze opmars begon. Maar De Mans naam was in die jaren hetzij onbekend, hetzij zwaar besmet. Alleen plan-economen spraken wel eens over De Man. Zij associeerden hem met het Belgische Plan De Man, een in 1935 gepresenteerd programma van sociaal-economische hervormingen om de crisis te bestrijden, dat in Nederland door de SDAP werd nagevolgd met het Plan van de Arbeid. Kort daarna werd De Man minister in twee achtereenvolgende Belgische kabinetten.

Toen de nazi's in 1940 België bezetten raakte De Man het spoor bijster. Als voorzitter van de socialistische Belgische Werkliedenpartij legde hij een verklaring af waarin hij Hitler prees en aankondigde dat `de bevrijding van de arbeidersklasse' nabij was. Hij riep op tot samenwerking met de bezetter, ontbond zijn partij en richtte in de zomer van 1940 de corporatistische Unie van Hand- en Hoofdarbeiders op. In maart 1941 stichtte hij het dagblad Le Travail, dat het orgaan werd van de gelijkgeschakelde arbeidersorganisaties en vakbonden. Bij de bevrijding van België week hij uit naar Zwitserland. In 1946 werd hij als collaborateur bij verstek veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf. Het marxisme had de socialisten ten tijde van de Eerste Wereldoorlog misschien niet de weg gewezen die kon voeren `tot de vervulling van hun zedelijke plicht ten opzichte van de mensheid', zijn eigen `bevrijding van het marxisme' had hem evenmin voor cruciale fouten kunnen behoeden.

Niettemin heeft De Man in De psychologie van het socialisme een originele kritiek op het marxisme geformuleerd. Tot de kernpunten van die kritiek behoorde de in zijn ogen per definitie vergeefse poging om `op de proletarische belangensolidariteit een nieuwe ethiek te bouwen'. Een moraal, gefundeerd op `klassebelang' heeft geen bestaansrecht, want `als de sociaal-ethische motieven van de arbeidersklasse hun oorsprong vinden in klassebelangen, wat wordt dan uit deze motieven, zodra deze tot heerschappij geraakte klasse, zoals het marxisme dat noemt, de klassen heeft opgeheven? Dan is er geen klassebelang meer dat ze leidt, waar zullen dan deze nieuwe motieven vandaan komen?'

Hendrik De Man: De psychologie van het socialisme. Uit het Duits vertaald door E.J. Brouwer. Van Loghum Slaterus (1927), 374 blz.