Films van Hubert Bals Fonds zorgen voor verrassingen

De samenstelling van het competitieprogramma van het International Filmfestival Rotterdam houdt duidelijk rekening met factoren als het land van herkomst: van de dertien films die meedingen naar de drie Tiger Awards komen er niet meer dan twee uit hetzelfde land. Als de jury niet aan voorzichtige diplomatie doet, zouden beide Franse inzendingen wel eens in de prijzen kunnen vallen. Een bekroning van Sandrine Veyssets Victor...pendant qu'il est trop tard is bijna onvermijdelijk, maar een goede tweede is Laurent Achards debuutfilm Plus qu'hier, moins que demain. Ook Achards wat stijve, stevig geconstrueerde vertelling speelt zich af in de provincie, om precies te zijn op het Midden-Franse platteland (departement Ain). Daar ontvouwt zich een melodrama rond de familie van een alcoholistische fabrieksdirecteur en zijn broer die de zaak overneemt. De animositeit tussen beiden uit zich in de nasleep van een seksuele relatie tussen de winaar en de dochter van de verliezer, met als voornaamste slachtoffer een illegale Noord-Afrikaan, die alle opgekropte agressie in de vorm van racisme over zich heen krijgt. Het scenario heeft iets voorspelbaars, de vormgeving van de film is nogal academisch, en toch verraadt Achard een humanitaire charme, ook in de hoekige stijl van een film, die heel in de verte herinnert aan zowel Bresson als Téchiné.

Zo zwak als de competitie dit jaar in Rotterdam blijkt te zijn, zo veel verrassingen herbergt het overzicht van de gedurende het afgelopen jaar met ondersteuning van het Hubert Bals Fund voltooide films uit ontwikkelingslanden. Behalve twee films van vrouwelijke regisseurs uit Iran (Samira Makhmalbafs De appel en Rakhshan Bani-Etemads The May Lady) zijn vooral de Latijns-Amerikaanse producties interessant. Claudio MacDowell uit Brazilië nam in Paraguay een voornamelijk Spaans gesproken, hartverwarmende maar een beetje trage en brave film op, O toque do oboé (The Call of the Oboe). Daarin blaast een mysterieuze en solitaire hoboïst nieuw leven in een slaperig Paraguyaans dorpje. Als de rattenvanger van Hamelen wekt hij de bijna-doden tot leven en slaagt erin de op het punt van vertrekken staande jongeren hun besluit nog even te doen uitstellen, vooral nadat hij samen met de verloofde van de plaatselijke politiechef de verkommerde bioscoop heropent. Stille Latijns-Amerikaanse films (onder meer van de Braziliaanse pionier Humberto Mauro) worden daar onder zijn begeleiding weer van de plank gehaald. Het sprookje is te mooi om waar te zijn.

Nog beter is de Cubaanse speelfilm La vida es silbar (Life Is a Whistle) van de ervaren documentairemaker Fernando Pérez. De magie in deze gelaagde allegorie levert subtiel kritiek op de versleten ideologische leuzen die de Cubaanse samenleving richting proberen te geven. In het jaar 2020 regeren daar nog steeds stichtelijke Chinese kalenderwijsheden, die de toehoorders letterlijk aan het gapen brengen. Een van de vrouwelijke personages uit de film valt voortdurend flauw wanneer ze het woord `seks' hoort, net als grote hoeveelheden toevallige passanten. Het antwoord op de mentale vermoeidheid blijkt in de titel besloten te liggen en al even fysiek van karakter: fluiten is het enige dat de Cubanen helpt om zichzelf te hervinden. Innemend en inventief, kritisch en geestig is La vida es silbar een frisse, soms knettergekke satire met een hoog gehalte aan sprookjesachtige lyriek, die wel dicht bij de werkelijkheid blijft.