Een onsterfelijke vrijbuiter

Tijl Uilenspiegel is een van die legendarische figuren die hun eigen literaire traditie scheppen: net als Faust is hij bekend geworden uit een zestiende-eeuws volksboek, maar de auteurs van die verhalen waren niet de scheppers van deze figuren. Uilenspiegel en Faust zijn geen literaire creaties: zij zijn langs de onnaspeurlijke wegen van de orale verteltraditie de literatuur binnengerold en dat met zoveel succes, dat ze er steeds weer in slaagden te reïncarneren in het werk van nieuwe generaties auteurs.

Het kan zijn dat de figuur Uilenspiegel historische wortels heeft, maar die zijn niet te achterhalen. In elk geval putte het Duitse volksboek van 1515 al uit verhalen die misschien wel teruggaan tot in de veertiende eeuw. De naam Ulenspeghel komt dan al voor in een Urkundenbuch van Braunschweig.

Vast staat dat de verhalen rond Uilenspiegel vanaf het begin van de zestiende eeuw erg populair waren, zowel in Duitsland als in Vlaanderen en de Noordelijke Nederlanden. Maar ook in het Frans, het Engels (waarin hij Howleglas heet) en zelfs in het Latijn verschenen vertalingen. De naam schijnt in Duits dialect zoiets te betekenen als `je gat afvegen', en dat wijst toch in een heel andere richting dan de uil en de spiegel waarmee hij later zo vaak werd afgebeeld. Ook de interpretatie van zijn naam als `Ulieden spiegel' maakte van de boerse schelm een soort volksopvoeder, wat weinig recht doet aan de brutaliteit van zijn spot en zijn streken.

Uilenspiegel is toch vooral de ongebonden vrijbuiter, de rondzwervende grappenmaker die zich onttrekt aan de conventies van de wereld waarin hij leeft en graag een loopje neemt met zijn medemens. Iemand van twaalf ambachten en dertien ongelukken, al is hij de laatste om daaronder gebukt te gaan. Hij is een rasechte uitvreter en de kampioen van de practical joke, die overal en altijd door de mazen van het net glipt.

Na de talrijke bewerkingen en vertalingen van de zestiende en de zeventiende eeuw werd het in de achttiende eeuw een beetje stil rond Uilenspiegel. Maar in de negentiende eeuw herleefde zijn legende: tegen de achtergrond van het her en der ontwakende nationale bewustzijn wordt hij in Duitsland en Vlaanderen verbeeld als de vrijheidslievende volksheld.

Een van de bekendste Uilenspiegelbewerkingen uit de negentiende eeuw is die van Charles de Coster: La légende d'Ulenspiegel (1867). Het is een curieus geval: een Franstalig auteur die een lofzang op Vlaanderen en het Vlaamse volk schrijft. Ook De Coster, zoon van een Vlaamse vader en een Waalse moeder, had namelijk politieke bedoelingen met zijn Ulenspiegel: hij vreesde dat België, dat net zijn onafhankelijkheid had verworven, te veel een Franse satellietstaat zou worden en legde de volle nadruk op de historische verbondenheid van het land met de Noordelijke Nederlanden.

Ketter

De Coster situeerde zijn Ulenspiegel in de zestiende eeuw en laat zijn held geboren worden in Damme, vlak bij Brugge, aan de vooravond van de Tachtigjarige Oorlog. Hoewel het boek, geheel in de geest van de Uilenspiegeltraditie, begint als een schelmenroman, drukt deze historische setting een zwaar stempel op het verhaal: zijn Tyl groeit op in een wereld die verscheurd wordt door godsdiensttwisten en politieke intriges. Zijn vader Claes wordt ten onrechte als ketter verbrand, en ook zijn moeder en Kathelyne, de buurvrouw, worden het slachtoffer van foltering en vervolging.

Dat alles maakt van Tyl, die toch al kritisch stond tegenover het gezag van de keizer (Karel V) en de geestelijkheid, een overtuigd strijder voor de vrijheid. Als met het aantreden van Filips II de terreur in de Nederlanden in volle hevigheid losbarst, sluit hij zich aan bij het verzet, wordt spion en koerier in dienst van de Prins van Oranje, en sluit zich ten slotte aan bij de watergeuzen.

Maar naarmate de strijd tegen de Spanjaarden en de Roomse terreur het verhaal sterker beheersen, verliest de held Ulenspiegel steeds meer zijn schalkse contouren. Het is een merkwaardige historische roman, die de schelmenroman ten slotte volledig overwoekert. De Costers Ulenspiegel blijft weliswaar een vrijbuiter, maar in de ernst van de strijd legt zijn humor het loodje.

De legende van Ulenspiegel, de nieuwe Nederlandse vertaling van De Costers boek, levert een hoogst eigenaardige leeservaring op. Dat komt vooral doordat de vertaler erg zijn best heeft gedaan om het archaïserende taalgebruik van De Coster ook in het Nederlands recht te doen. De negentiende-eeuwer De Coster, die een boek schreef dat in de zestiende eeuw speelde, creëerde daartoe een kunstmatig Oud-Frans. Naar eigen zeggen omdat dat de enige taal was die het Vlaams treffend kon weergeven. Zijn vertaler heeft daarvoor nu, op de drempel van de eenentwintigste eeuw, een Nederlands equivalent geschapen: een taal vol oude, vergeten woorden en wendingen, die vooral in het begin een erg oubollige indruk maakt. Je waant je waarachtig in de wereld van Anton Pieck.

Deerntje, hapschaar, wijdmondse kartouw, serpentijn, dubbele kuit, klauwaert, kapoentje, noenmaal, liard, patard, karolusgulden, arkebussier, haakbus, soldenier, pijpzak, vedel, eilaas, nochtans, doch – ziehier een klein boeketje van woorden waarmee de archaïserende toets in de vertaling van Chris van de Poel wordt weergegeven. Een sappig, levend Vlaams, zoals je dat bij Boon, Claus of Pleysier kunt lezen, levert dat helaas niet op: het blijft een zorgvuldig verouderwetste Nederlandse vertaling uit het Frans.

Maar gaandeweg raak je daaraan gewend, en naarmate de figuur van Tyl Ulenspiegel tot leven begint te komen, blijkt dat de associatie met Anton Pieck De Coster geen recht doet, want hij bespeelt veel meer registers: hij heeft niet alleen oog voor het pittoreske en joyeuze, maar ook voor de duistere en gewelddadige kanten van die tijd. In schrille kleuren schildert hij bijvoorbeeld uitvoerig de martelingen waaraan Claes, Soetekin en Kathelyne worden onderworpen.

Scheldkanonnades

De Coster streefde naar een taal die enerzijds aansluit bij die van volkse verteltradities, maar ook naar een taalrijkdom à la Rabelais: barok, zinnelijk, retorisch, kleurrijk. Met merkbaar plezier doorspekt hij zijn verhaal met lange opsommingen, scheldkanonnades en redevoeringen. Maar hij mist de geestigheid en de scherpte van zijn Franse voorbeeld.

In de eerste helft van het boek, waar De Coster nog sterk aansluit bij de Uilenspiegeltraditie, trekt Tyl rond door Vlaanderen, Brabant en Duitsland, en slaagt er zelfs in de paus te spreken te krijgen in Rome. Dat is verreweg het vermakelijkste deel van het werk, waarin veel ontleend is aan een eerdere Vlaamse Uilenspiegeltekst, Het aerdig leven van Thyl Ulenspiegel, die bij Van Paemel in Gent verscheen.

De humor is vaak nogal plat, grof en flauw. Maar dat hoort ook een beetje bij het volkse karakter van de held en het type verhalen waaruit zijn `legende' bestaat. En er zijn desondanks in dit eerste deel genoeg geslaagde komische scenes te vinden die de gevatheid en de slimheid van de held reliëf geven.

Een typische Uilenspiegelstreek is bijvoorbeeld de manier waarop hij in Neurenberg 200 gulden opstrijkt door alle patiënten in een overvol ziekenhuis op slag te genezen: hij fluistert ze stuk voor stuk zijn `geheim' in, namelijk dat hij een toverdrankje zal bereiden waarmee hij iedereen beter kan maken. Maar daarvoor moet één van hen tot as verbrand worden. Hij zal ze de volgende dag allemaal naar buiten roepen en degene die het laatst buiten komt, zal de eer te beurt vallen om als panacee te dienen. De volgende dag roept hij luidkeels dat iedereen die niet ziek is, zijn spullen moet pakken en naar buiten komen. Waarop ze allemaal, hoe ziek, zwak of kreupel ook, rennen voor hun leven. Ulenspiegel incasseert zijn honorarium van de `gasthuismeester' en maakt dat hij weg komt. Want natuurlijk melden ze zich allemaal binnen de kortste keren weer ziek. Behalve één die, `genezen door de gezonde buitenlucht', de lof zingt van de 'hooggeleerde heer Ulenspiegel'.

Op zijn best is Ulenspiegel als hij honger heeft en allerlei listen verzint om op kosten van anderen toch flink te kunnen schransen. Vaak lukt het hem zelfs om nog geld toe te krijgen. Eten en drinken vormen een hoofdmotief in De Costers Ulenspiegel: het verhaal wemelt van de uitvoerige en verlekkerde opsommingen van gerechten en dranken, en met name Lammme Goedzak, de vriend met wie Ulenspiegel een groot deel van zijn avonturen beleeft, weet er weg mee. Ook in dit opzicht is de invloed van Rabelais voelbaar. Het vetgehalte in de avonturen van Tyl en Lamme Goedzak is hoog genoeg om de diëtisten van de moderne smaak (zowel culinair als literair) een acute hartverzakking te bezorgen.

Qua omvang en opzet is het ongetwijfeld een heel ambitieus boek. Maar literair gesproken lijkt het me toch eerder een historisch curiosum dan een meesterwerk. Want ondanks de taalrijkdom en de dramatische kwaliteiten van het verhaal is het geheel zo sterk gekleurd door De Costers negentiende-eeuwse cultuurpolitieke engagement dat het – althans op de twintigste-eeuwse lezer – een nogal gedateerde indruk maakt. Wat nog versterkt wordt door het archaïserende taalgebruik. En wanneer ik het boek lees als een Uilenspiegelroman kan ik alleen maar betreuren dat De Costers Ulenspiegel gaandeweg bezwijkt onder zijn nationaal-historische missie: naarmate hij groeit in zijn Vlaamse heldenrol gaan de grappen, de fratsen en de streken van de ongebonden vrijbuiter die hij aanvankelijk nog is reddeloos ten onder.

Dat neemt niet weg dat het in de Uilenspiegeltraditie een belangrijk boek is geweest. De Coster heeft de trend gezet van een Uilenspiegelinterpretatie die later met name in de socialistische staten van Oost-Europa erg populair werd – Uilenspiegel als rebel en proto-proletariër. Maar ook dat is inmiddels een afgesloten hoofdstuk.

De Uilenspiegellegende leeft voort en heeft sindsdien in het werk van vele andere auteurs (onder wie Herman Teirlinck, Theun de Vries en Hugo Claus) allang nieuw onderdak gevonden. De vraag is: wie volgt? En vooral: hoe zal een Uilenspiegel van de eenentwintigste eeuw eruit zien?

In Huyse de Grote Sterre te Damme is van 5 februari tot en met 2 mei de tentoonstelling `Uilenspiegel, de wereld op zijn kop' te zien. Jacob van Maerlantstraat 3. Inl. 00 32 50 353319. Ter gelegenheid hiervan verscheen bij het Davidsfonds in Leuven een gelijknamig boek van Jozef Janssens. Prijs ƒ56,–

    • Piet Meeuse