Een keiharde linkse

Boksende ballerina, lichtvoetig als steentjes die over het water zeilen. De beste vechtmachine aller tijden. De eerste rapper. De belangrijkste emancipator van zwarten na Martin Luther King en Nelson Mandela. De mooiste sporter ooit. Atleet van de eeuw. De bekendste man ter wereld.

Alleen superlatieven voldoen kennelijk om het belang van Cassius Clay alias Mohammed Ali te beschrijven. Geen superlatief ook, of hij nam het als eerste zelf in de mond. Vanaf het moment dat hij zich aankondigde als de nieuwe wereldkampioen boksen in het zwaargewicht – en dat was volgens overlevering vlak na zijn geboorte in 1942 in Louisville, Kentucky, toen hij vanuit de wieg zijn moeder twee tanden uit haar mond sloeg – was hij tevens zijn eigen commentator, pr-man en hagiograaf. Vanaf het begin begeleidde hij zijn klappen met een constante woordenstroom. Wie hij ook uitdaagde, wie het ook tegen hem opnam, hij was naar eigen zeggen altijd de grootste, de snelste, de mooiste. Hamerende handen, dansende voeten en losse lippen: wapens waarmee hij zijn tegenstanders te lijf ging en vloerde.

De opkomst van Clay/Ali was tot nog toe het best beschreven in het semi-autobiografische boek The Greatest, dat in de jaren zeventig verscheen onder auspiciën van Herbert Mohammed, zoon van Nation of Islam-leider Elijah Mohammed en Ali's toenmalige manager. De jonge bokser liet zich hierin kennen als een toonbeeld van morele zuiverheid en lichamelijke kracht. Nu wordt dat beeld bijgesteld in King of the World van David Remnick, sinds kort hoofdredacteur van het weekblad The New Yorker en voormalig correspondent in Rusland voor The Washington Post.

Remnick maakt vooral duidelijk hoe groot de verwarring was die Clay schiep op weg naar de top. De weigering te voldoen aan de verwachtingen van anderen, zijn vader, trainers, bestuurders, sponsors, sportjournalisten en burgerrechtenorganisaties, loopt als een rode draad door het boek. Remnick hamert op zijn authenticiteit en daar valt weinig op af te dingen. Hoewel een enkele bokser, worstelaar en zijn vader hem misschien kort tot voorbeeld dienden, was van beïnvloeding geen sprake. Zijn stijl in en buiten de ring bedacht en perfectioneerde hij zelf. Vanaf het begin wist hij aan niemand verantwoording schuldig te zijn.

Om de originaliteit van Clay reliëf te geven zet Remnick hem af tegen de twee kampioenen in de zwaargewichtklasse die hem voor gingen: de stilist en `Goede Neger' Floyd Patterson en de houwdegen en `Slechte Neger' SonnyListon. Patterson, afkomstig uit het getto van New York, was een groot voorstander van de integratie van zwart en blank Amerika, maar maakte van zijn idealen geen principe-kwestie. Sonny Liston dankte zijn aantrekkingskracht als bokser aan zijn sloperskwaliteiten, gekoppeld aan een afschrikwekkend uiterlijk. Hij versloeg zijn tegenstanders niet, hij vernietigde hen.

Alcoholist

Cassius Clay verschilde alleen al van zijn voorgangers doordat zijn ouders tot de zwarte middenklasse behoorden. Zijn vader was weliswaar een alcoholist en dwangmatig overspelig, hij had wel een vaste baan als schilder. De jonge Clay leerde boksen op een sportschool en niet op straat. Wat ook opvalt, is de ambachtelijke discipline en ernst waarmee hij zich op de sport wierp. In tegenstelling tot Patterson en Liston had Clay ook voor een minder riskant beroep kunnen kiezen. Waar anderen onder dergelijke omstandigheden zouden zijn bezweken voor de verleiding bij tijd en wijle de teugels te laten vieren, trainde Clay van jongs af aan alsof zijn leven er vanaf hing.

Zijn ernst en toewijding voor de sport zijn voortdurend door tegenstanders en journalisten onderschat. Vreemd is dat natuurlijk niet: met zijn extravagante clowneske gedrag voor wedstrijden strooide hij iedereen zand in de ogen. Een van de aardigste aspecten van Remnicks King of the World is dat hij aantoont dat vooral de schrijvende pers zich door Clays gedrag in de luren liet leggen. Nu heeft iedereen Ali in de armen gesloten; uit The Muhammed Ali Reader, een compilatie van portretten, interviews en artikelen die in de loop van ruim vier decennia over hem verschenen, spreekt naast verbazing vooral bewondering. Kritiek wordt er niet geleverd; hooguit omfloerst bezorgde ergernis over het feit dat hij te lang is doorgegaan en daarmee zijn hersens permanente schade heeft toegebracht.

Begin jaren zestig was dat anders. Volgens Remnick waren negen van de tien journalisten in 1964 tijdens zijn eerste titelgevecht tegen Liston, op de hand van de laatste. Vrijwel iedereen vond Clay een blaaskaak die zich een weg naar de top had gebluft en nu godzijdank eindelijk zijn plaats zou worden gewezen. Sonny Liston was, dacht men, een echte bokser, niet iemand die zich door Clay's exorbitante gedrag van de wijs liet brengen. De journalisten mochten dan met enige gretigheid poseren als schoppers tegen het establishment, ze waren verontwaardigd dat Clay zich op zijn beurt niets aantrok van de regels en conventies die zij in het leven hadden geroepen. Zo weigerde hij tijdens persconferenties journalisten bij hun achternaam aan te spreken, zoals Patterson en Liston wel altijd keurig deden. Dikwijls nam hij de regie van de bijeenkomsten ter hand door de aanwezigen luidkeels op zijn buitengewone sportprestaties (`I am the Greatest') en lichamelijke schoonheid (`Ain't I Pretty') te wijzen. Liston werd uitgemaakt voor lelijke oude beer, die de moeite van een gevecht nauwelijks waard was. En mocht hij toch verliezen, hield Clay de aanwezigen voor, dan zou hij eerst op handen en voeten voor Liston door het stof gaan om vervolgens het land met het eerste beste vliegtuig te verlaten.

Het waren, maakt Remnick duidelijk, verbijsterende bijeenkomsten. `Zelfs Norman Mailer koos in dit geval voor de georganiseerde samenleving.' Stel je voor dat Clay werkelijk de titel in het zwaargewicht boksen zou winnen, vroeg hij. Het zou betekenen dat iedereen met een grote mond op de hoek van de straat kon opscheppen en ook nog moest worden geloofd.

Vrijwel iedereen hoopte dan ook dat Clay niet alleen zou verliezen, maar dat hij een afstraffing zou krijgen. Dat het anders liep, is bekend. Liston was het aan het eind van de zesde ronde zo uitgeput en toegetakeld, dat hij het voor gezien hield. Voor het oog van de wereld had Clay zijn vermaarde shuffle en bijensteken laten zien. Net zoveel opzien baarde dat hij, onmiddellijk nadat hij Liston had onttroond, de journalisten vanuit de ring toeschreeuwde: `Slik je woorden in! Ik ben koning van de wereld!' Voor menigeen was de pil te bitter. Ze schreven dat Clay had gewonnen door voortdurend weg te rennen. Als Liston niet zo traag was geweest, dan was het gevecht ongetwijfeld anders afgelopen. Clay was volgens hen geen waardige kampioen, want geen zuivere bokser.

Nation of Islam

Nauwelijks waren ze van hun schrik bekomen of Clay sloeg opnieuw toe. Hij verklaarde te zijn toegetreden tot de Nation of Islam, de zwarte moslims onder leiding van Elijah Mohammed. Niet dat hij een hekel had aan blanken, hield hij de journalisten voor, maar het streven naar integratie was volgens hem tot mislukken gedoemd. En persoonlijk voelde hij er niets voor om in een blanke wijk te wonen of met een blanke vrouw te verkeren. Enkele weken later veranderde Elijah Mohammed zijn naam in Mohammed Ali.

Toen hij zich vervolgens openlijk tegen de oorlog in Vietnam keerdeen zich bereid toonde voor zijn dienstweigering de gevangenis in te gaan en afstand te doen van de wereldtitel boksen, was de maat vol. Opnieuw voldeed Ali niet aan de verwachtingen, weer leek hij zijn best te doen zo veel mogelijk mensen tegen zich in het harnas te jagen. Alleen een kleine groep zwarte radicalen en jongeren bleef hem steunen. Zoals Ali zelf in een interview zei: `Ik was vastbesloten de ene nigger te zijn, die je niet kon krijgen, blanke man. Begrijp je me? De ene nigger die je nooit zult krijgen.'

King of the World is bejubeld in Amerika en door het Britse weekblad The Economist uitgeroepen tot een van de beste boeken van 1998. Het is een geslaagde poging om de recente sportgeschiedenis met de sociale historie van de jaren zestig te verbinden. Mijn enige bezwaar is dat Remnick er niet nog een nawoord aan heeft toegevoegd. Wat nu ontbreekt is een beschouwing over de invloed van Clay/Ali op een latere generatie Amerikaanse atleten, met name Afrikaans-Amerikanen.

De provocaties, het luidruchtige gedrag, de eis met respect te worden behandeld zijn inmiddels gemeengoed geworden. Ze hebben veel van hun originaliteit verloren en wekken dikwijls de indruk een toevlucht te zijn waarmee sporters hun gebrek aan prestaties willen verbloemen. Ze zijn op z'n best amusant, maar vaak vooral deerniswekkend.

Remnick stipt in het voorbijgaan aan dat Clay op de middelbare school niets uitspookte en toch zijn diploma in de wacht wist te slepen. Het schoolhoofd besefte een potentiële sportheld in opleiding te hebben en legde hem geen strobreed in de weg. Dat het schoolhoofd zo handelde omdat hij vereerd was een atleet als Clay onder zijn leerlingen te tellen, zegt evenveel over het aanzien en belang van de sport in de jaren vijftig en zestig als de opstelling van de schrijvende pers.

Twee generaties later is het op veel scholen en colleges gemeengoed geworden om veelbelovende gettojongeren te paaien. Een diploma is nog steeds bijzaak. Maar met de eergevoelens van de schoolleiding heeft dat allang niets meer te maken. De eer wordt in geld uitgedrukt. Hoe beter de sportprestaties, des te groter het aanzien van de scholen en des te meer leerlingen zich tegen betaling van grof collegegeld zullen aanmelden. Voor gettosporters die na school of universiteit niet doorstromen naar een profclub omdat ze niet goed genoeg zijn – en dat zijn de meesten – rest over het algemeen niets anders dan terugkeer naar hun plaats van herkomst.Ook in dit opzicht was Ali een trendsetter.

Gerald Early (red.): The Muhammed-Ali Reader (Ecco Press, New Jersey, 1988) Ali Bomaye. De mooiste verhalen over 's werelds beroemdste bokser. (Een selectie uit de Reader, aangevuld met twee Nederlandse verhalen). Arena, 127 blz. ƒ25,-

David Remnick: King of the World. Muhammed Ali and the Rise of an American Hero. Random House, 326 blz. ƒ65,-