Een gemankeerde baviaan

TAORMINA. Het hotel was een omgebouwd klooster. ,,Wij verwachtten u al'', zei de receptionist, een knappe Italiaan die met zijn leesbril speelde. Uit zijn oren groeide veel haren, maar sommige mannen maakt dat alleen maar charmanter.

,,Er is ook al een fax voor u gekomen.''

Hij zei het verheugd, alsof het binnenkomen van een fax in dit hotel nog een bijzondere gebeurtenis was. Velen waren ongetwijfeld al voor zijn charmes bezweken. Waar kon je nog meer voor bezwijken?

Een kruier op leeftijd sleepte met onze bagage. Hij knipoogde toen hij de balkondeuren opende om ons het uitzicht te laten zien. Alweer de zee. Zij wilde altijd een kamer met zee, maar 's ochtends nadat ze de met moeite bemachtigde Herald Tribune had gelezen, zei ze: ,,Nu wil ik de bergen zien.'',,Ontbijt kan hier ook worden geserveerd'', zei de kruier en weer knipoogde hij, alsof hij iets wist wat wij nog moesten ontdekken.

Goethe had Taormina al bezongen en tegenwoordig vierde de maffia er vakantie, stond in een folder.

Wij liepen door de tuin van het voormalige klooster. Een tuinman viste bladeren uit het zwembad.

,,Heb jij de zonde dan niet gezocht?'', vroeg ze.

Het was lang geleden dat ik dat woord had gehoord, de zonde. Ik moest er even over nadenken, ik had me nooit gerealiseerd dat je actief op zoek kon gaan naar de zonde.

,,Wat een prachtig gebouw is dit'', zei ik, ,,wat hadden de monniken het goed. Als ik de zonde heb gevonden dan per toeval, ik zocht eigenlijk iets anders.''

We bleven staan voor een boom met bloesems.

,,Het wordt hier nooit winter'', zei ze.

,,Jawel'', zei ik, ,,ook hier wordt het winter, maar bepaalde bomen bloeien het hele jaar.''

Grappig hoe sommige woorden uit je leven kunnen verdwijnen. Een paar dagen daarvoor had ik voor het eerst sinds jaren weer het woord `garde' gehoord. Ze had gezegd: ,,Ik had een garde van de bovenburen geleend, om slagroom te kloppen voor bij de aardbeien, ik dacht dat hij dat lekker vond.''

Toen was ik weer heel even verliefd geworden.

,,Ik heb de zonde gezocht'', zei ze, ,,jarenlang, maar hij viel tegen.''

De tuinman maakte zijn handschoenen schoon.

,,Als de zonde een paard was geweest had ik al mijn geld op dat paard gezet'', zei ik.

Ze begon te rillen.

We liepen door lege gangen waar vroeger monniken hadden gelopen en waar binnenkort ongetwijfeld weer vele toeristen zouden lopen.

Je kan alleen van mensen houden als ze een personage zijn geworden, en zelfs dan blijft het een hele klus. Sommige mensen verzetten zich hardnekkig tegen het verworden tot personage. Ik snap dat niet. Duizendmaal liever ben ik personage dan mens. Wie mensen wil tegenkomen moet maar persberichten lezen. Als ik doodga en ik moet terugkeren zou ik opteren voor een pak waspoeder.

In de eetzaal speelde een pianist voor het bedienend personeel.

We mochten zelf kiezen waar we wilden gaan zitten.

Ze liep langs alle tafeltjes alsof het mannen waren die ze keurde.

,,We logeren in de beste hotels'', zei ik, ,,we eten het beste eten, moet ik gaan sparen voor een privé-vliegtuig?''

Ze lachte. Ik heb het altijd al prettig gevonden anderen aan het lachen te maken en merkwaardig genoeg is dat een van de weinige dingen die steeds fijner worden.

Een zwaar geparfumeerde ober bracht de kaart.

,,Als je hard oefent word je misschien nog wel een ladies' man'.''

,,Dat is alles wat ik wil worden, geloof me, een ladies' man.''

,,Nee'', zei ze, ,,jij wil de beste zijn, in alles wat je doet. Jij denkt dat je niet mag bestaan als je niet de beste bent, dat is je ziekte.''

Ik moest weer aan het woord `garde' denken. De behoefte om andere mensen te overwinnen was inderdaad een ziekelijke behoefte.

,,Misschien ben ik'', fluisterde ik, ,,een gemankeerde baviaan.''

,,Ja'', zei ze, ,,dat ben je.''

Ze was een merkwaardig personage aan het worden. Eentje die geen keuzes wilde maken, die wilde dat anderen voor haar zouden kiezen. Ik betwijfelde ook of ze echt de zonde had gezocht. Ze had van alles met zich laten doen, ze had gekeken wat de anderen met haar deden, en nu keek ze wat ik met haar deed. Een andere vorm van hongerstaking, levensstaking. Was dat de zonde?

Onze vissen werden vakkundig gefileerd en de ober die een paar uur geleden nog voor kruier had gespeeld, zei: ,,Smakelijk eten mevrouw, meneer.''

Hij bleef staan om onze reactie te peilen.

,,Spreekt u Nederlands?'', vroeg ik.

,,Ik ben matroos geweest op een Nederlands schip.'' En weer gaf hij mij een knipoog.

,,Een matroos die eindigt in het San Domenico Palace in Taormina'', zei ik toen hij weer weg was.

,,Nou ja'', zei ze, ,,wij zijn hier toch ook geëindigd.''

Van ons dure eten namen we maar een paar muizenhapjes.

,,Kun je eindelijk beginnen met leven'', vroeg ik, ,,het is een misvatting dat mooie mensen het leven aan zich voorbij moeten laten gaan.''

Een ronde tafel op wieltjes met twaalf verschillende toetjes kwam langsrijden. De toetjes werden liefdevol van uitleg voorzien. We wilden niets.

,,Jij denkt'', zei ze, ,,dat jij de pers bent en ik de citroen, maar misschien is het wel omgekeerd. Jij maakt me zeker en als ik zeker genoeg ben, ga ik in een van jouw jurkjes terug naar de minnaars die ik maar half krijgen kon.''

,,Ga je dan weer kijken wat ze met je doen? Genomen worden is niet hetzelfde als leven.''

Daarna zeiden we een tijd niets meer. En ik haatte mezelf, omdat ik alleen in fictie de waarheid durfde te zeggen. Daarom zou ik ook nooit iemand redden, misschien niet eens mezelf. Voor zover redding überhaupt een optie was. De ober die matroos was geweest bleef maar rondrijden met de toetjes.

Toen we door lege gangen naar onze kamer liepen, bleef ik staan bij een zuil.

Ik trok haar onderbroekje uit en zij zei: ,,Hé joh gek, niet doen.''

Ik geloof dat schrijven agressieve energie nodig heeft. Zolang je je agressie omzet in woorden is er afstand en dus controle. De agressor kan met sarcastische distantie zijn eigen agressie beschouwen. Zodra agressie fysiek wordt kan dat niet meer.

We renden naar de kamer. We lachten. Leek het wel. Maar misschien was ik de enige die lachte en ik voelde weer de haat die ik bij het eten had gevoeld.

Ik duwde haar op het bureau waar mijn typemachine stond die ik al dagenlang niet had gebruikt. En zij zei alleen maar: ,,Hé joh gek, niet doen.''

Ik ging bij haar naar binnen terwijl haar hoofd op het toetsenbord van de typemachine rustte. Het moet er komisch uit hebben gezien. En toen begon ik haar te slaan, zoals ik nog nooit iemand heb geslagen. Ik weet niet wat ik sloeg. Het geluk, mijn onmacht, de zonde, mijn angst, haar verleden, haar levensstaking, mijn agressie, haar minnaars, de gedachte dat ik nooit echt iets goeds had geschreven en dat ook nooit zou doen, omdat ik alleen in fictie de waarheid durfde te zeggen en dus op mijn manier aan levensstaking was gaan doen. Of sloeg ik het einde van onze euforie, of de euforie zelf in de hoop het einde te bespoedigen? Maar misschien was ook dat allemaal fictie en sloeg ik alleen haar billen, omdat er niets anders was om te slaan.

Het enige dat ik hoorde was: ,,Hé joh gek, niet doen.'' Het kan zijn dat ook dat alleen de echo was van wat ze eerder op de gang had gezegd.

Toen het klaar was, opende ik de minibar en vroeg: ,,Wat wil je drinken?''

Ze keek me aan met een merkwaardige mengeling van verbazing, angst, verdriet en levensstaking in haar ogen.

Zo zag de wereld er dus uit als je hem probeerde te overwinnen.