De weg naar voortreffelijkheid

Aristoteles zocht de waarheid dichter bij huis dan Plato, zonder te vervallen in de relativistische redeneertrucs van de sofisten. Prof. L.M. de Rijk over de onvermijdelijke vraag: waar hadden die lui het eigenlijk over?

Er is een groeiende belangstelling voor wijsbegeerte en voor ons wijsgerig verleden. Maar zonder problemen is zij niet. Interesse in het verleden die niet gepaard gaat aan historisch besef leidt regelrecht tot een miskennen van de historische ambiance. Met name de filosoof dient zich dat, uit puur lijfsbehoud, te realiseren. Want als de historische ambiance van ons wijsgerig verleden er weinig toe zou doen, hoe verklaar je dan dat dezelfde wijsgerige vragen steeds opnieuw, en terecht, worden gesteld?

Geschiedbeoefening los van de historische ambiance is niet meer dan bloempjes plukken. Voor de wijsbegeerte betekent dit dat men zich in de Griekse oorsprong ervan moet verdiepen en nagaan met welk type vraagstellingen de grote Atheense filosofen Socrates, Plato en Aristoteles zich bezighielden. Omdat de ambiance er wezenlijk bij hoort, zal onze vraag niet zozeer zijn: `wat zeiden ze?', alswel: `waar sloeg dat allemaal op?', `waar hadden die lieden het nu eigenlijk over?'.

Socrates (469-399 voor Christus) zag zich geconfronteerd met het optreden van rondtrekkende leraren, de `sofisten'. Zij hadden tijdens de bloeiperiode van de Atheense democratie een gat in de markt ontdekt en boden tegen betaling kennis aan, onder andere de vaardigheid om, zoals Plato het noemde, `de zwakke zaak tot de sterke te maken', en omgekeerd. Het is de mens, leerden zij, die naar eigen inzicht, soms zelfs naar eigen believen, normen en waarden bepaalt. Tegenover deze soepele omgang met waarden stelt Socrates dat het `zijn' der dingen, inclusief ethische entiteiten als normen en waarden, wordt bepaald door vastliggende, niet door de mens ontworpen, wezenlijke structuren. Hij noemt ze `vormen' (eidè).

Plato (427-347) is het in beginsel met zijn leermeester eens, maar vindt wel dat diens leer in één opzicht te kort schiet. Die wezenlijke vormen waar Socrates op doelt, moeten op hun beurt zèlf, vergankelijk als ook zij zijn, teruggaan op onvergankelijke Oerbeelden, waarvan men het bestaan moet aannemen in een transcendent, dat wil zeggen geheel aan de empirie onttrokken domein. Alles wat zich in de wereld aan ons vertoont, bestaat slechts als afspiegeling of `participatie' van een ermee corresponderende, transcendente entiteit. Zo is de rechtvaardigheid die een bepaalde handeling rechtvaardig maakt, zelf niets anders dan een deelhebbing aan een transcendente Rechtvaardigheid, zoals ook concrete bomen en stenen hun `zijn' hebben te danken aan de transcendente entiteiten Boomheid en Steenheid. Wie de dingen hier wil leren kennen, moet zich dus richten op de transcendente Werkelijkheid, en niet blijven steken in een of andere mening (doxa) over zintuiglijke verschijnselen.

Eén van Plato's begaafdste leerlingen was Aristoteles (384-322). Hij werd geboren in Stageira (Thracië) als zoon van Nicomachus, de lijfarts van koning Amyntas van Macedonië. Voor hogere studies werd hij naar Plato's Akademie in Athene gestuurd, waar hij zo'n twintig jaar verbleef, tot Plato's dood. Al in de jaren dat hij zich nog tot de leden van de Akademie rekende, nam hij afstand van Plato's theorieën over een transcendente Wereld en verlegde hij het zwaartepunt van de wijsgerige aandacht weer naar de zintuiglijk kenbare wereld om ons heen. Tenslotte schrapte hij, inmiddels voor zich zelf begonnen in een eigen school, het Lyceum, het hele transcendente domein als overbodig en zelfs misleidend.

Zintuigelijke kennis

Aristoteles is het met zijn leermeester eens dat betrouwbare kennis wel degelijk vertrouwdheid vereist met de zijnsvormen der dingen (de `wezenheden', nog steeds eidê genoemd). Maar die `wezenheden' bevinden zich in de dingen zelf, hier en nu. Men komt ze niet op het spoor door, zoals Plato leerde, omhoog te blikken naar een boven-empirische wereld, maar door nauwkeurige observaties van deze, onze wereld. De gezochte `wezenheden' zijn, met andere woorden, niet meer transcendent, maar immanent.

Er is dan ook volgens Aristoteles alleen kennis van het wezen der dingen mogelijk, als men uitgaat van zintuiglijke kennis. Anderzijds, hoezeer er volgens Aristoteles ook geen ander `zijn' is dan dat van de concrete zintuiglijke wereld, onze aandacht mag niet blijven steken in wat er zintuiglijk, en veranderlijk, is aan die wereld. Aristoteles houdt vast aan het Griekse wetenschapsideaal: wetenschap (epistèmè) betreft zaken die vastliggen (`zijn wat ze zijn, en niet anders kunnen zijn', zoals men zei). Door te abstraheren van het toevallige, komt men tot kennis van het onveranderlijke wezen van de dingen.

Deze `down-to-earth' benadering van Aristoteles zal menigeen beter liggen dan de (in beginsel oncontroleerbare) oriëntatie op een Hogere Ideale Wereld van Plato. Maar heeft Aristoteles' procedure om te abstraheren van al het toevallige, niet ook iets ongrijpbaars, of tenminste iets subjectiefs? Want hoe weet je wat `niet wezenlijk' is? Het is het schouwende intellect (de nous) dat uiteindelijk het wezen `grijpt'. Dit intuïtieve `grijpen', zal men zeggen, heeft toch altijd nog iets van het Platonische `schouwen'. Het beslissende verschil tussen Plato's benadering en die van Aristoteles ligt in de rol van de observatie; niet zozeer in Aristoteles' feitelijke observaties, maar in zijn toelaten van observatie als bron van kennis. Zijn opvattingen laten zich dan ook indien nodig falsifiëren. Bij Plato ligt dit anders. Zijn tijdgenoot Antisthenes viel Plato aan door te sneeren: `Paarden zie ik zat, Plato, maar de Paardheid nooit'. Plato's reactie was: zo zie je maar weer dat het aan zulke bastaarden niet gegeven is de Waarheid te schouwen. Plato's elitaire zekerheid verschaft hem de luxe positie dat hij alle tegenwerpingen kan verwelkomen als ondersteuningen van zijn theorie. Daarom brandmerkte de wetenschapsfilosoof Karl Popper Plato (samen met Hegel) in zijn The Open Society and its Enemies als erfvijand van open en democratisch denken.

Denken

Bij Aristoteles kan zoiets je niet overkomen. Openheid en observatie spelen in zijn denken een sleutelrol. Hij observeert mensen en dingen, situaties en attitudes zo goed mogelijk. Daarbij slaat hij er soms gruwelijk naast, zoals in zijn opvatting dat de vrouw minder hoogwaardig is dan de man, omdat zij van nature slechts ontvangend is, getuige haar rol bij de voortplanting. Maar tot in zijn metafysische overwegingen toe getuigen zinswendingen als `of zien we het beter als volgt?' van zijn openheid. Menigmaal neemt hij wat voorgangers hebben beweerd als uitgangspunt, omdat dit altijd leerzaam is. Maar het is vooral de taal die hem als kenbron boeit, dat wil zeggen de zeer uiteenlopende manieren waarop wij één en dezelfde zaak ter sprake kunnen brengen. Steeds spitst Aristoteles zijn observaties toe op de uiteenlopende manieren waarop we de zijnsfacetten die hij voor zijn onderzoek wezenlijk acht, te berde plegen te brengen. Filosoferend over menselijke individuen bestudeert hij hen ofwel qua `mens', of qua `musicus', of qua `wandelaar' enzovoorts, al naar gelang het onderwerp dat hij onder handen heeft.

Dit voortdurend bijstellen van zijn focus heeft mensen wel eens geïrriteerd. In zijn magistrale A History of Greek Philosophy (1981) schrijft W.K. Guthrie vol bewondering over Aristoteles. Hij roemt zijn scherpzinnigheid, breedheid en originaliteit. Maar ondubbelzinnig is zijn lof niet. Wat Guthrie lichtelijk irriteert is nu juist Aristoteles' vermogen om al naargelang zijn onderwerp de invalshoek anders in te stellen. Wat geprikkeld noemt hij Aristoteles dan `that astonishing man', niet voor één gat te vangen. Hij is weliswaar geen doorgewinterde relativist, zoals de ook door hem felbestreden sofisten, maar toch heel verschillend van Plato, die kampioen van het zekere weten. Wijsgerig relativisme is Aristoteles vreemd en het ideaal van zekere kennis is bij hem even onwrikbaar als bij Plato, maar hij is wat omzichtiger, omdat observaties feilbaar zijn en het grijpen van het wezenlijke niet alleen inspanning en vernuft vereist, maar ook geestelijke wendbaarheid.

Broddelwerk

Antieke denkers als Plato en Aristoteles toegankelijk maken voor de moderne Nederlandse lezer is geen sinecure. Het gaat dan ook niet altijd goed. Plato heeft het wat dat betreft niet getroffen. Het amateuristische broddelwerk dat uitgeverij Bert Bakker als moderne Plato-vertaling op de markt brengt, kan geen enkele toets der kritiek doorstaan. Het is een pretentieuze potpourri van vroegere vertalingen, waarin het Griekse origineel blijkbaar geen rol heeft gespeeld. Aantekeningen die de vertalers toevoegen om ons, zo heet het, de eigenlijke, tot dan toe miskende, betekenis van Plato te verduidelijken, zetten de lezer helemaal op het verkeerde been.

Met de Nederlandse Aristoteles-vertaling bij de Historische Uitgeverij in Groningen, waarvan nu het eerste deel is verschenen, komt Plato's leerling er heel wat beter af. Of eigenlijk: ze vergelijken is beledigend.

Deze uitgave van Aristoteles' Ethica is voortreffelijk. Alle voorwaarden voor succes lijken vervuld. De vertalers – Christine Pannier, klassiek filologe en psychotherapeute in Leuven, en Jean Verhaeghe, hoogleraar ethiek en filosofie te Antwerpen – verstaan hun vak. Ze weten waar het bij een filosoof als Aristoteles over gaat, kennen de wijsgerige en andere achtergronden van zijn werk, en werden gesteund door een deskundige redactie. En, niet in de laatste plaats, ze beschikken over een subtiele beheersing van onze moedertaal (al verwijst in de tekst `het' soms naar een `de'-woord).

Het boek is bovendien zeer overzichtelijk opgezet. De tien `boeken' waaruit de Ethica bestaat, worden ter oriëntatie van de lezer afzonderlijk ingeleid. Van groot belang is de korte maar substantiële algemene inleiding in de wijsgerige achtergrond van de werken van Aristoteles. Behalve een naamregister en een zaakregister is ten slotte een glossarium toegevoegd waarin de kernbegrippen van Aristoteles' ethiek helder zijn omschreven.

Grondslagen

Aristoteles staat terecht bekend als een universeel denker, een geleerde met aandacht voor zeer uiteenlopende wetenschapsgebieden. Tegelijk geldt hij als de denker die de eerste theoretische grondslagen heeft gelegd voor wat we nu binnen de wijsbegeerte onderscheiden als afzonderlijke disciplines, zoals logica, metafysica, ethica – en voor vakken als psychologie, politieke wetenschap en biologie, die zich in de loop der tijden uit de wijsbegeerte hebben geëmancipeerd. De wijsbegeerte is sinds Aristoteles haar eigen, zeer uiteenlopende, wegen gegaan, maar zijn aanpak blijft altijd weer boeien.

Aristoteles is de eerste westerse wijsgeer geweest die ook een systematische uiteenzetting heeft gegeven over ethiek. Het werk kan worden gezien als een handleiding voor toekomstige politici. Natuurlijk met méér diepgang dan een `Hoe hoort het eigenlijk?'. De Ethica is opgezet als een diepgravend onderzoek naar wat menselijk geluk nu eigenlijk is en hoe het bereikt kan worden. De vorming die wordt aangeprezen om het levensdoel, geluk, te bereiken, wordt gebaseerd op een uiteenzetting van de structuur van de menselijke psuchè (een combinatie van het levensbeginsel `ziel' en wat wij `geest' noemen) en van de optimale condities waaraan een mens moet voldoen om volwaardig mens te zijn.

Het menselijk geluk vormt het hoofdthema van de aristotelische ethiek. Geluk (eudaimonia) is geen gevoel, maar de staat die een mens bereikt wanneer hij of zij het eidos `mens-zijn' optimaal heeft weten te verwezenlijken. Nu is het meest kenmerkende voor de mens dat hij met rede begaafd is. Eudaimonia ontstaat doordat men zich, dankzij inzicht in het wezen-mens, optimaal weet te ontplooien. Voor de Griek is weten (epistèmè) niet het vermogen om belangrijke of triviale weetjes te spuien, maar een geestesgesteldheid die vanzelf voortkomt uit inzicht in het wezen der dingen, en die zich op haar beurt uitdrukt in handelen, en daardoor versterkt wordt. Handelen is namelijk een uitdrukking van `zijn', en de bevestiging en versterking ervan. Een huurmoordenaar is habitueel slecht, in ruste niet minder dan in actieve dienst.

Alnaargelang iemands ontplooiingskansen zijn er drie soorten gelukkig leven: het levensgeluk van de genotsmens, dat van de burger en het meest pure, dat van de filosoof. Helaas is het alleen aan de maatschappelijke bovenlaag, welgestelde burgers met voldoende vrije tijd, gegeven zelf voor de beste levensvorm te kiezen.

Men moet vooral niet denken dat de Ethica slechts bestaat uit teboekgestelde levenswijsheden, danwel een erg theoretisch traktaat is, dat hoog boven het leven van alledag zweeft. Het aristotelisch denksysteem rust namelijk op twee pijlers (of beter, een tweevoudige pijler). Geduldige, soms zelfs minutieuze observatie gaat samen met een nooit aflatend speuren naar de wezensvorm van dingen, zoals deze zich in de concrete dingen zelf bevindt als een dynamische, op volledige ontplooiing gerichte kracht.

Observaties

Deze aanpak levert een tractaat op dat een verrassend aantal treffende observaties bevat, levenswijsheden van een gerijpt man die met beide benen op de grond staat. Neem de uiteenzettingen in Boek II over `voortreffelijkheid van karakter' en haar rol bij het realiseren van levensgeluk. Aristoteles begint met de opmerking dat `zijn onderzoek er niet op gericht is te weten wat voortreffelijkheid is, maar op het realiseren ervan; anders zou het van geen enkel nut zijn'. Maar hoewel het onderzoek bedoeld is voor de praktijk, is de aanpak filosofisch. Wezenlijk inzicht in voortreffelijkheid is nu eenmaal inherent aan inzicht in de praktizering ervan. De Griekse notie theôria impliceert praxis. Voortreffelijk-zijn uit zich in voortreffelijk-doen en wordt versterkt door de herhaling ervan.

Voortreffelijkheid valt niet samen met de natuurlijke aanleg van het individu; die is slechts een potentie, een mogelijkheid. Ze ontstaat ook niet door onderricht, maar door gewoonte. Daarom passeren allerlei nuttige gewoonten de revue. Het criterium voor de goede gewoonte is dat ze spoort met `rechte rede'.Het bewijs dat men ze echt bezit, is dat het erop nahouden van goede gewoonten de bezitter geen pijn of ongenoegen verschaft; anders kan er geen sprake zijn van voortreffelijk-zijn. Dit laatste is dan de houding of attitude die ons doet kiezen voor het juiste midden dat de `rechte rede' aanwijst tussen twee extremen, bijvoorbeeld `dapperheid' tussen `vermetelheid' en `lafheid', of `vrijgevigheid' tussen `verkwisting' en `gierigheid'.

Dit juiste midden slaat bij Aristoteles niet op wat wij noemen een `gulden middenweg', te kiezen door met de lineaal de exacte afstand te berekenen tussen de extremen. Het slaat op het praktizeren van een trefzekere houding ten opzichte van het goede. De vertalers wijzen er terecht op dat de idee van het juiste midden teruggaat op de Griekse zin voor proportie, harmonie en evenwicht, die ook elders in het werk van Aristoteles een rol speelt.

Aristoteles' ethische opvattingen mogen dan elitair zijn als het gaat over de kansen die onderscheiden groepen (man-vrouw, vrije-slaaf) hebben op geluk, hij is beslist niet van mening dat men filosoof moet zijn om de juiste keuzen te kunnen maken. Ook de niet-filosoof kan door gewoonte orde scheppen in zijn irrationele verlangens en het juiste midden vinden in ogenschijnlijk choatische omstandigheden.

Wat het blootleggen van concrete normen en waarden door de ethicus betreft, hij of zij kan ze volgens Aristoteles niet a priori afleiden uit een Platonisch transcendent domein. Maar evenmin kan hij ze opmaken uit het in de dingen aanwezige immanente eidos en vervolgens abstraheren tot een universeel gegeven. Zoals in heel de Aristotelische wijsbegeerte heeft ook in de Ethica iedere beschouwing een sterk a posteriori karakter. Het gaat wel steeds om universeel toepasbare waarden, maar alleen voorzover die zijn geconcretiseerd in individuele situaties. Het is immers juist kenmerkend voor het mens-zijn dat men in gecompliceerde situaties kan wikken en wegen.

Omdat delibereren en de zaken van verschillende kanten bezien, zo belangrijk zijn, gaat Aristoteles graag inductief te werk. Zo beschrijft hij de houdingen die de gemiddelde burger van Athene van zijn tijd ethisch voortreffelijk acht – niet om daaruit een gemene deler af te leiden, maar om in die concrete houdingen precies datgene intuïtief te treffen wat ze tot voortreffelijk maakt (het eidos dus). Elders zegt hij dat de persoon die tot een handeling overgaat zelf `van geval tot geval moet afwegen wat de gegeven situatie vereist, net als in de geneeskunst of de stuurmanskunst'.

De Ethica is van de grote wijsgerige tractaten van Aristoteles nog het meest toegankelijk. Toch kan de onbevangen lezer menigmaal voor raadsels komen te staan. Ook kan men zich verkijken op de betekenis van concrete observaties, of zich verliezen in het verondersteld anekdotische karakter van wat Aristoteles aan boeiends biedt. De voortreffelijkheid van deze uitgave bestaat hierin dat de lezer helder, niet schoolmeesterachtig of zwaarwichtig, bij de les wordt gehouden. Let wel, bij wat Aristoteles ons wil leren, niet wat lieden zonder enig begrip van de wijsgerige ambiance hem laten zeggen.

Ware kennis

Gemakkelijk is het vertalen niet. De vertalers hebben er terecht voor gekozen dicht bij de Griekse terminologie te blijven, en die liever uit te leggen en in de juiste context te plaatsen dan hun toevlucht te nemen tot omschrijvingen, die gemakkelijk iets krijgen van correcties en aanpassingen. Toch bevat de vertaling van de fameuze openingszin van de Ethica iets wat dicht bij een (overigens gebruikelijk) anachronisme komt. Ik doel op de vertaling `wetenschap' voor epistèmè. Menigmaal staat dat woord in het Grieks niet voor een wetenschap, in de zin van een systematisch geordend geheel van kennis, maar voor iets wat men met zekerheid weet (`een brok ware kennis'). Men zou daarom liever niet `Elke vaardigheid en elke wetenschap (...) is op iets goeds gericht' moeten vertalen, maar `(...) en elk waarlijk weten' enzovoorts. Dat is trouwens ook, geheel in overeenstemming met Aristoteles' opvatting, troostrijk voor de niet-filosoof. Die hoeft het alleen maar te weten, niet ook nog eens te verklaren.

De Historische Uitgeverij heeft een goede keus gedaan door dit project toe te vertrouwen aan een veelzijdig deskundige redactie, die op haar beurt competente vertalers heeft weten aan te trekken. De vertalers hebben een werk op tafel gelegd dat er in alle opzichten mag zijn, en dat ook wetenschappelijk hoog scoort. De uitvoering is typografisch zeer verzorgd. Het Prins Bernhard Fonds hoeft geen spijt te hebben van zijn subsidie.

De vertalers van Aristoteles' overige werken, vooral de Physica, Metaphysica en de Logica staat een nog zwaardere krachtproef te wachten. Maar gegeven deze opzet van het project zal ook die proef glansrijk kunnen worden doorstaan. Pannier en Verhaeghe hebben in elk geval nu al de negentiende-eeuwse kardinaal Mercier, de oprichter van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, in het ongelijk gesteld. Hij beweerde dat de Nederlandse taal ongeschikt is om zich wijsgerig in uit te drukken. Kenners van Mercier zullen betwijfelen of hij zijn mening inderdaad zou hebben herzien, maar zeker is dat hij zulks, met dit bewijs onder ogen, als goed volgeling van Aristoteles zou moeten doen.

De Historische Uitgeverij publiceert de komende jaren het volledige werk van Aristoteles. De delen `Over dieren', `Retorica' en `Politica' verschijnen in juni, juli en oktober.

Aristoteles: Ethica. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Christine Pannier en Jean Verhaeghe. Historische Uitgeverij, 358 blz. ƒ75,–