Boksbal of reddingsboei

Anderhalf jaar geleden publiceerde Paul Smaïl Vivre me tue en meteen daarna plakte de Franse pers hem het etiket op van `raadselachtig auteur'. Na Chimo, de mysterieuze Algerijnse auteur van de bestseller Lila dit ça, was er weer een Noord-Afrikaanse schrijver die onder pseudoniem een eerste, goed verkopende roman publiceerde. En wat voor één! Vivre me tue was een boek waar het talent vanaf spatte, een roman vol woede en frustratie, gevat in humor, melancholie en fonkelend taalgebruik. Het hele literaire Franse wereldje speculeerde over de identiteit van Smaïl: een bekend journalist? Een Marokkaan wiens in het Arabisch geschreven manuscript door een geletterde Fransman was vertaald of op zijn minst taalkundig gecorrigeerd? Of toch de jonge, in Parijs wonende Franse literatuurwetenschapper van Marokkaanse afkomst, zoals de achterflap vermeldde?

De mysterieuze vaagheid rond de schrijver Smaïl staat in schril contrast met de klare taal van het personage Smaïl (`Gewoonlijk spreek ik [mijn naam] op z'n Engels uit en met een glimlach'). Het lijkt alsof de schrijver zich in één klap van al zijn opgekropte spanning heeft ontdaan. Hij schreeuwt, hij foetert, hij scheldt, hij klaagt aan, hij citeert, hij vertelt, maar bovenal bevrijdt hij zichzelf. Het verklaart misschien de vaak lichte toon en ironische humor, waarmee hij in staat is zijn leven te bezien, te peinzen over onrechtvaardigheid, over kortzichtigheid en over liefde. Hij denkt na over hypocrisie, over vriendschap en over aan den lijve ondervonden, pijnlijk dagelijks racisme. Zijn diepgewortelde onrust wordt weerspiegeld in brutaal, direct aansprekend Frans, soms klassiek, dan weer met veel argot. Ook schroomt Smaïl niet felle uitroepen en directe rede te gebruiken naast fonetisch opgeschreven Arabisch. Hij beproeft de elasticiteit van de taal, net zoals Fouad Laroui of Hafid Bouazza dat op hun manier doen. Zijn literaire helden (Robert Stevenson, Arthur Rimbaud, Jean Genet en Herman Melville, van wie het hele boek de lof zingt) citeert Smaïl uitbundig in het Engels of het Frans.

Heen en weer springend tussen heden en verleden, vertelt Smaïl over de wirwar van straatjes in Barbès, de voornamelijk Arabische wijk van Parijs, ten oosten van de Sacré Coeur, waar hij opgroeide; over zijn grootvader die in de Eerste Wereldoorlog voor Frankrijk stierf; over zijn oom die in 1961 bij pogroms tegen Algerijnen – tijdens de Algerijnse vrijheidsoorlog – `als kroeskop' in de Seine werd gegooid en verdronk; en over de dood van zijn autoritaire vader, die zijn levenlang een modelarbeider was bij de Franse spoorwegen. Een familie kortom aan wie Frankrijk het een en ander verschuldigd lijkt te zijn.

Maar datzelfde Frankrijk bezorgde Smaïl een jeugd die werd verknald door pesterijen – wie accepteert er nu een `bruinvel, een koffieboon, een bruine aap, een haakneus' als beste van de klas? En Frankrijk bleek evenmin in staat hem met `eindexamen middelbare school plus vijf jaar hogere studies' een passende baan te bieden. Weer `is er altijd wel een andere kandidaat met een lichtere huidskleur, bij wie het haar minder kroest, de huid minder grof is en de neus niet zo gebogen'. Opnieuw wanhoop, wraakgevoelens en huizenhoge frustratie. Smaïl vindt troost bij de literatuur, die hij dankzij een aan de drank geraakte leraar heeft ontdekt. Hij leest Shakespeare en parafraseert De koopman van Venetië: `Ik ben Arabier. Maar heeft een Arabier dan geen ogen, geen gevoelens, hartstochten? Wordt hij niet door dezelfde wapens verwond, wordt hij niet door dezelfde zomer verwarmd, door dezelfde winter afgekoeld als de geboren en getogen Fransman?'

Smaïl wordt pizzabezorger, medewerker in een boekhandel, nachtwaker bij een louche hotel op Pigalle. Hij vindt er de rust om het boek te schrijven dat hij zijn broer op diens sterfbed beloofd heeft – een boek dat vertelt hoe ze zich samen in hun stapelbed identificeerden met de helden uit Moby Dick van Herman Melville. Maar het vertelt ook hoe zijn broer door geldgebrek en onderdrukte homoseksuele gevoelens belandde in de duistere, door geldzucht beheerste bodybuildingwereld van dodelijke hoeveelheden anabole steroïden.

Literatuur blijkt Smaïls redding. Zij stelt hem in staat om na zwaar weer toch de zeilen te hijsen, net als kapitein Ahab, onvermoeibaar op zijn tocht. `Het verdriet is niet meer zo zwaar, ik heb er iets anders van gemaakt. De herinnering doet niet meer zo'n pijn', schrijft hij over de dood van zijn broer in zijn tweede boek, Casa, la casa, dat grotendeels geschreven is in Marokko. Hij gaat er op zoek naar innerlijke rust en strooit op een gewijde plek de as van zijn broer over zee uit. Dankzij twee vrouwen, ware modellen van wijsheid, beseft Smaïl dat het niet zozeer leven is dat hem doodt, maar zijn onvermogen om het leven te accepteren zoals het is.

Ook tijdens zijn verblijf in Marokko ontsteekt Smaïl vaak in brandende verontwaardiging. Op de boksbal koelt hij zijn woede over het geweld dat zijn buurvrouw werd aangedaan, over de verdwijningen tijdens het totalitaire regime,over de verklikkers met zonnebrillen, over de bloedbaden in Algerije, de blindheid van de fundamentalisten en iedere vorm van religie die mensen beknot in hun vrijheid. `Algerije is een gevangenis voor vrouwen, die in huis blijven,en een inrichting voor dwangarbeid voor mannen. Jongens hangen, zonder werk, de hele dag op straat rond en fantaseren over meisjes. Geen wonder dat ze gaan schieten. Niet omdat ze Het Boek gehoorzamen, maar omdat ze geen vriendinnetje mogen hebben. Het is verboden om als mannen en vrouwen met elkaar te praten, elkaar te beminnen. Alles is verboden. Alles is onfatsoenlijk.'

Ook Smaïls eigen familie lijdt onder het allesoverheersende gevoel van schaamte, zo realiseert hij zich: `Mijn broer is zwijgend gestorven. Mijn vader heeft nooit over zijn lijden gesproken. Moeder ontkent haar verdriet. Hoe dicht wij elkaar ook staan, wij creperen in stilte.'

Stilte is ook wat Smaïl verkiest rond zijn pas verworven vrijheid als schrijver. Slechts één keer liet hij zich door de Nouvel Observateur verleiden om per fax enkele vragen te beantwoorden – waarom en hoe schrijft hij in Casa, la casa. Hij wil zijn anonimiteit behouden, zo schreef hij, om te vermijden dat hij `le beur de service, le beur à la mode, le bon beur' wordt (beur is de populaire benaming voor in Frankrijk geboren jongeren, met uit Noord-Afrika afkomstige ouders). Voor hem geen interviews over racisme en integratie in Frankrijk, geen symposia over armoede, tolerantie of extreem-rechts. Spreekbuis te zijn voor een generatie jonge Marokkanen in Frankrijk is niet wat Paul Smaïl ambieert. En dat hoeft ook niet. Zijn werk zegt genoeg.