Ballet voor Toverfluit en Muizen

Twee choreografen van Het Nationale Ballet kneedden Mozarts opera-sprookje `Die Zauberflöte' om tot het ballet `Toverfluit'. Het zal geen gedanste opera zijn: er klinkt muziek uit 23 Mozartstukken, maar nog geen noot uit `Die Zauberflöte'. Voorts is er voorzien in een happy end en eindelijk krijgt die toverfluit een functie. Naast een grote professionele cast speelt een troepje jonge dansers een rol in de voorstelling, die volgende week in het Muziektheater in Amsterdam in première gaat.

In de hal achter de artiesteningang van het Amsterdamse Muziektheater zitten de meisjes met hun moeders (en een enkele vader) ongeduldig te wachten tot ze naar boven mogen. ,,Dag schat, tot straks.'' Om half vijf begint de repetitie van de Braziliaanse Oorvleugelmuizen, een van de door choreograaf Toer van Schayk bedachte nieuwe diersoorten voor het ballet Toverfluit. Een nieuwe productie van het Nationale Ballet waaraan naast een cast van 55 volwassenen, per voorstelling ook zeven kinderen meedansen. Iets over half vijf komen de meisjes, leerlingen van de oriëntatieklas van de Nationale Balletacademie in Amsterdam, in hun oefenpakjes de kleine studio binnen. De meesten met de haren opgestoken, zoals het een klassieke balletdanseres betaamt. In twee groepjes staan ze klaar; twee voor, twee achter. Ex-danseres van Het Nationale Ballet Aina Bilkens, die Van Schayk assisteert bij het repeteren, doet voor hoe het ook al weer ging. Zonder muziek. ,,Eén twee drie vier. Vijf zes zeven acht. Hoofd links, hoofd rechts. Eerst de een, dan de ander.'' De muis rechtsachter moet even uit het gareel springen, en er dan weer - rolhuppelend - bij komen. Linkerbeen strekken, rechterbeen strekken. Met één poot op de grond tikken, zoals Braziliaanse Oorvleugelmuizen dat blijkbaar doen. Opstaan en huppelend naar voren, de armen in een halve cirkel voor zich uit, de handen zo dat het lijkt of ze een stuk kaas in de pootjes houden, iets lekkers dat niet op de grond mag vallen. Ze komen voor in de scène dat Tamino op de toverfluit begint te spelen, en iedereen moet dansen, ook de dieren in het bos.

Voor de paar toeschouwers op de bank is het een kostelijk gezicht. De dodelijke ernst waarmee ze oefenen, de zichtbare wil om het goed te doen, maar gelukkig ook de pret. Sommigen bewegen zich als geboren balletdanseressen, anderen kampen met coördinatieproblemen. Maar wat wil je als je acht jaar oud bent, bijna negen, en je je armen en benen nog niet helemaal onder controle hebt?

Toer van Schayk komt binnen. ,,Zo, hoe gaat het met de muizen?''

Dan begint het echt, op de lichte klanken van Mozarts fluitmuziek. ,,Nee Puck, iets te vlug. Hoofd naar voren. Hou je rug recht.'' En nog een keer, en weer. Met beide groepjes tegelijk werken is wat veel. ,,Komen jullie vier maar even op de bank zitten, kijken hoe slecht de anderen het doen,'' zegt Van Schayk. Gegiechel. ,,Is dit het leukste dat je in je hele leven hebt gedaan,'' vraag ik aan de danseres in spe naast mij. Een stralende knik. Vanwege de regels die de Arbeidsinspectie stelt, mogen kinderen niet avond aan avond optreden, vandaar dat er twee bezettingen zijn. Mijn buurmuis: ,,Hun mogen acht keer, wij maar zes keer. Flauw.'' Dan doet Van Schayk een nieuwe beweging voor. ,,Dit is een echte balletpas. Til je achterste voet op, zo, achter het rechter been. Lastig hè?'' De meisjes kijken goed, ze vinden het prachtig. Voor een eerste keer gaat het niet slecht.

Na ruim een uur is het genoeg, ze zijn moe, kunnen nauwelijks nog een woord uitbrengen. Nu moeten de Oorvleugelmuiskostuums gepast worden. ,,Tof'', roept een meisje. Die harige rug, die bolle ogen en en natuurlijk de grote oren. ,,We hebben eigenlijk best een grote rol'', zegt een van de meisjes tegen Van Schayk. Hij heeft er plezier in, vertelt hij. ,,Ik behandel ze niet als kinderen, sla geen toontje tegen ze aan. Je stort je erin, ach ja. Die paar minuten is precies wat ze aankunnen. Ze weten nog nauwelijks wat links en rechts is, doen 't net fout.'' Later beaamt Puck - ze is bijna negen en dnst al vanaf haar vijfde - dat het moeilijk is. Vooral die draai met je been. ,,Het been uitschuiven vind ik nu gemakkelijk. Maar ik ben steeds te vroeg of te laat.'' Alles wat ze moet doen, heeft ze in een schriftje opgeschreven. Voor het slapen gaan, gaat ze de bewegingen in haar hoofd na.

De Nationale Balletacademie in Amsterdam is dichtbij Het Muziektheater gevestigd, handig voor de leerlingen die meedoen aan de grote uitvoeringen, zoals onlangs aan Notenkraker en Muizenkoning en nu Toverfluit. Francis Sinceretti, in de jaren zeventig eerste solist bij Het Nationale Ballet, is sinds vijf jaar artistiek leider. Op de Balletacademie zitten zo'n 90 à 95 leerlingen. De opleiding (behalve voor klassiek ballet, ook voor jazzballet, moderne theaterdans en folklore/caractère) duurt zeven jaar, inclusief de laatste twee klassen basisschool en de speciale Mavo of Havo in de Gerrit van der Veenstraat. Sinceretti heeft, zegt hij, een leuke, maar geen gemakkelijke baan. ,,Hoe kun je het onderwijs en de scholing verbeteren? Het huidige repertoire is breed, vraagt een groot scala aan techniek, stijl en beweging. Wij moeten erg goed zijn, want de concurrentie met het buitenland is groot, en wij genieten geen speciale voorkeur.'' Afgestudeerden van de Balletacademie vinden niet automatisch een plaats bij Het Nationale Ballet, ongeveer tachtig procent van de dansers komt uit het buitenland.

Sinceretti zou liever een structurele, en dus grotere, betrokkenheid van Het Nationale Ballet bij de academie zien, zodat de groep op den duur minder buiten Nederland hoeft te werven. Van Schayk, daarmee geconfronteerd: ,,Maar er is toch een zekere band? Er doen veel kinderen mee. In Cinderella, Het Zwanenmeer, Notenkraker en Muizenkoning. Er zijn dansers van ons die lesgeven en instuderen voor voorstellingen van de school.''

Een andere zorg van Sinceretti (vader van drie kinderen, van wie alleen zijn vijfjarige dochter danst) betreft het aantal jongens op de Academie. ,,Dat is maar zo'n tien procent. In het tweede jaar HBO zitten helemaal geen jongens. Dat is heel vervelend met het leren van het pas-de-deux repertoire. Ik denk dat veel vaders bezwaren hebben, die zien hun zoon liever als voetballer. Ze denken dat alle dansers mietjes zijn.'' Van Schayk deelt Sinceretti's zorg. ,,Er is niets verwijfds aan, dat is flauwekul. Wanneer zou dat idee toch ontstaan zijn? Misschien aan het eind van de vorige eeuw toen het ballet in West-Europa verwaterde en vrouwen de mannenrollen dansten.''

Die vaders, denk ik, zouden eens naar een balletrepetitie moeten gaan om te ontdekken dat ballet inderdaad eerder topsport is en de balletdansers zo mannelijk als wat. Die middag oefenen zes leerlingen van de Academie hun rol van Wonderwijze Knapen, samen met een aantal volwassen dansers. Ook zij zijn vanwege de arbeidswet in twee ploegen opgedeeld. De drie die nu op hun beurt moeten wachten, rommelen wat aan in de hoek van de grote studio. Proberen het reusachtige skateboard uit, een attribuut in Toverfluit, oefenen enkele passen of staan in een volleerde danserspose te kijken, tegen de barre aan. Van Schayk heeft een paar maal stukjes met hen ingestudeerd. ,,Het is wonderbaarlijk hoe vlug ze vooruit zijn gegaan,'' zegt hij. ,,Maar die jongens kennen de namen van de passen en bewegingen, dat scheelt.''

,,Toer doet langzaam voor wat je moet doen. Je doet mee, dan doe je het zelf, en dan nog een keer en dan moet je het kunnen. Je breit 't aan elkaar, later ga je 't schoonmaken.'' Zo leggen Joeri (14) en Sytze (13) uit hoe het werkt. Joeri komt uit Overveen, hij danst al vanaf zijn vierde. Sytze vanaf zijn negende, hij woont in Apeldoorn. Beiden deden mee in Notenkraker en Muizenkoning, waarin enkele tientallen kinderen dansten. Joeri ook al aan andere grote producties zoals Romeo en Julia.

Waarom er zo'n tekort is aan jongens op de Balletacademie, begrijpen ze ook niet echt. ,,Je moet aan krachttraining doen en stevig op je benen kunnen staan. Mensen denken aan tutjes, kleine meisjes in roze tutuutjes.'' Hun vaders vonden het best dat ze danser willen worden. Werden ze er wel eens mee gepest, op de basisschool of in de straat? Sytze: ,,Heel even. Dat is nu over, er wonen niet zoveel kinderen in onze straat.''

Leren dansen is voor een groot deel kijken en nadoen. ,,Van kijken leer je het meest,'' zegt Joeri. ,,Hoe de dansers van de groep zich gedragen, ook in de coulissen. Hoe ze zich opwarmen, hun tendu's, alles.'' Ook thuis oefenen de jongens veel. Het is vooral concentratie, en dat je alles kunt vatten, in je hoofd. ,,Timing is hartstikke belangrijk. Met een pirouette, of met sprongen, dat je je voeten niet te vroeg flext.'' Sytze prent zich elke avond in de trein terug naar huis de geleerde bewegingen nog eens in. Joeri doet dat voor het slapengaan.

Acht dagen voor de première wordt voor het eerst op het toneel gerepeteerd. Om half een is de hele cast aanwezig. De jongens hadden gezegd dat de voorstelling ,,heel spectaculair'' zou worden. Daar is nu een voorproefje van te zien. De voorstellingsleider, degene die het tijdens de voorstelling voor het zeggen heeft, legt in het Engels uit dat de grootste veiligheid en discipline vereist is, in verband met gedeelten van het toneel die meters omhoog en weer omlaag gaan. ,,So don't try to be funny.''

Behalve kijken en nadoen, bestaat dansen ook uit wachten, zo blijkt. Pas om half vier mogen de Wonderwijze Knapen voor het eerst het toneel op, om een deel van hun kunst te vertonen. Van Schayk neemt ze nog even apart voor wat extra instructies. De acht Muizen hebben voor niets gewacht. Om vier uur moeten alle dansers van het toneel, onverbiddelijk. Voor de avondrepetitie begint is er een verplichte pauze van een paar uur.

Denken Joeri en Sytze dat Toer van Schayk expres rollen bedenkt voor kinderen, zodat er altijd gedanst blijft worden? ,,Ja,'' antwoorden ze in koor.

Ja, dat zal vast zo zijn.