Waarom er geen primeurs meer zijn

Wereldprimeurs die een (auto)show stelen, behoren zo goed als tot het verleden. Daarom moet de 100-jarige Amsterdamse AutoRAI zich ook tevreden stellen met slechts drie of vier bescheiden nieuwtjes die het publiek nog niet eerder zag. De sportieve Audi S3 was enige weken geleden al aangekondigd, de vernieuwde Opel Vectra is alleen door kenners met een scherp oog van zijn voorganger te onderscheiden en Renault distribueerde aan de vooravond van de RAI reeds de foto's van de Mégane break – herkenbaar aan een ander neusje. Intussen liet Mercedes-Benz al voor de kerst weten dat het nieuwste topmodel CL coupé pas in Genève zou debuteren, evenals Audi's vierdeurs A3 model. Van alle Europese autobeurzen heeft alleen die op neutrale Zwitserse bodem een internationale status, qua belangrijkheid op de voet gevolgd door de Frankfurter tentoonstelling. Dan wordt de qua locatie en organisatie toch hoog aangeschreven Amsterdam RAI wel eens over het hoofd gezien.

De tijd dat Citroën (in 1955) voor een megapubliek de sensationeel nieuwe DS (`snoek') liet debuteren, ligt echter ver achter ons. En de RAI zal waarschijnlijk nooit meer zo'n verrassende introductie meemaken als die van de DAF 600, ruim veertig jaar geleden, toen tienduizenden zich rondom de stand van DAF verdrongen. Of de organisatoren van autoshows dit soort onverwacht wereldnieuws nog waarderen, valt overigens te betwijfelen. Liever is men van tevoren geïnformeerd om de media tijdig met wereldprimeurs te kunnen bespelen.

Maar de auto-industrie heeft tentoonstellingen niet meer zo nodig als exclusief platform voor nieuwe modellen. De internationale shows maken slechts deel uit van een totale publicitaire programmering voor een nieuw model. In vaktermen spreekt men ook van drietrapslanceringen. De rol van de tentoonstelling beperkt zich daarin steeds meer tot de `cat-walk' voor nieuwe trends. Toyota's nieuwe Yaris, die in Frankrijk geproduceerd gaat worden, kon het publiek vorig jaar al in Brussel als conceptstudie bewonderen. Vervolgens stond het prototype vorig jaar in Genève, en afgelopen najaar in Parijs als definitief productiemodel. Nu op de Amsterdamse RAI is het nieuwtje er wel van af.

Ook de jaarlijkse show van Detroit is meer een vakbeurs, waar nieuws wordt gepresenteerd, dan een consumentenshow. Want wat heeft de autokoper aan een auto die voor het `modeljaar 2001' te boek staat? Zo'n ruim op de toekomst gericht begrip geeft de autofabrikant wel een excuus om het niet zo nauw met de feitelijke marktintroductie te nemen. Oorspronkelijk zou de nieuwe Rover 75 tijdens de komende tentoonstelling van Genève in maart zijn werelddebuut beleven. Maar BMW-dochter Rover wilde natuurlijk meeliften op de enorme publiciteitsgolf in eigen land ten tijde van de Birmingham show, in oktober vorig jaar. Rover grijpt sindsdien iedere kans tot publiciteit aan en daarom staat de 75 ook in Amsterdam. De aanwezigheid in de RAI weegt kennelijk op tegen het negatieve nieuws dat de productie van de `75' een paar maanden vooruit is geschoven naar de zomer vanwege aanlooproblemen met de productie.

Een te vroege introductie kan een fabrikant uiteindelijk wel opbreken. Volkswagen wilde in 1997 koste wat kost de nieuwe Golf op eigen bodem – de belangrijke Internationale Automobilausstellung in Frankfurt – aan de wereldpers en het publiek tonen. Maar de auto was nog niet klaar, zodat de toen opgeroepen vraag tot op de dag van vandaag lange levertijden veroorzaakt. Vandaar dat de industrie een nieuw model alleen op een autotentoonstelling laat debuteren wanneer dat past in de zorgvuldige productieplanning en meertrapslanceringschema's die een optimale aandacht in de media garanderen.