Tussen muziek en verstrooiing

Dolf van der Linden, de oprichter en eerste dirigent van het Metropole Orkest, is zaterdag op 83-jarige leeftijd overleden. Dat is pas vandaag, na de begrafenis, bekend gemaakt. De lange, dunne en steeds tot in de puntjes verzorgde propagandist voor de betere lichte muziek, die ook tussen 1957 en 1971 jaarlijks de Nederlandse inzending voor het Eurovisie Songfestival dirigeerde, was al enkele jaren ziek.

Van der Linden was de zoon van een muziekhandelaar in Vlaardingen en studeerde aan de Haagse muziekacademie. Om den brode begon hij aan het lichtere werk, eerst als pianist bij het bekende dansorkest van Eddy Meenk en vanaf 1935 als radiomusicus. Drie jaar later nam de AVRO hem in dienst als arrangeur. Tot in de eerste oorlogsjaren behoorde Van der Linden tot het vaste groepje arrangeurs van de radio, daarna kwam hij als dwangarbeider terecht bij de Duitse spoorwegen.

Zijn glorietijd begon in het najaar van 1945, toen hem door Radio Herrijzend Nederland, dat na de bevrijding de radio-uitzendingen had overgenomen van de Duitse bezetters, werd gevraagd een groot amusementsorkest samen te stellen. De eerste uitzending van het toen 38 man sterke Metropole Orkest vond plaats op 25 november 1945. Het orkest laveerde tussen swing en sweet, schreef S. de Vries jr drie jaar later in zijn boekje Ruiters op de Aethergolven, en slaagde er zodoende in een brug te slaan `tussen de ernst en de luchtigheid, tussen de muziek en de verstrooiing'.

Nadat de omroepverenigingen het bewind in Hilversum weer hadden overgenomen, kon het Metropole Orkest voor alle amusementsprogramma's van alle zuilen worden ingeschakeld. Soms verzorgde het orkest vier radio-uitzendingen per week. En toen bij de televisie het Eurovisie Songfestival begon, werd ook daarvoor een beroep gedaan op Dolf van der Linden. Zo was hij als dirigent betrokken bij twee Nederlandse zeges: Net als toen (Corry Brokken, 1957) en Een beetje (Teddy Scholten, 1959).

Onder zijn leiding specialiseerde het Metropole Orkest zich in het melodieuze repertoire, in weelderige, semi-symfonische arrangementen. De laatste keer dat hij voor het orkest stond, was in 1995, bij het vijftigjarig bestaan. Men had hem onder valse voorwendselen naar de studio gelokt, maar hij liet zich graag overhalen om weer even het stokje te heffen. Bij de rijke klank van het orkest stonden hem de tranen in de ogen; even leek hij weer de gelukkigste man van de wereld.