Tokio pakt kartel in staal aan

Drie Japanse staalbedrijven hebben jarenlang de Japanse markt voor waterleidingpijpen onderling verdeeld. De Japanse Fair Trade Commission (FTC) is vandaag tot deze conclusie gekomen en heeft de zaak wegens overtreding van de antimonopolie-wetgeving doorgegeven aan het openbaar ministerie.

De zaak is een voorbeeld van de notoire dango-praktijk in Japan waarbij openbare aanbesteding niet meer is dan een wassen neus. Dango betekent letterlijk `overleg' en houdt in dat bedrijven bij openbare aanbesteding van tevoren afspreken welk bedrijf, voor welke prijs, de aanbesteding in de wacht mag slepen.

De Japanse FTC is door buitenlandse commentatoren veel gekritiseerd dat ze niet werkelijk hiertegen optreedt. De huidige zaak is de grootste zaak voor dango tot nu toe.

De kwestie is aan het licht gekomen door een actiegroep die dankzij nieuwe regels over openbaarheid van bestuur de bedragen achterhaalde waarvoor de bedrijven hun pijpen voor publieke werken aan lokale overheden aanboden. Ook al hadden de drie bedrijven in theorie geheel onafhankelijk hun bod moeten doen, de bedragen bleken tot op de yen identiek. De FTC kon de zaak niet negeren en verrichte huiszoekingen bij de betrokken bedrijven.

De conclusie is nu dat de drie beursgenoteerde ondernemingen, Kubota, Kurimoto en Nippon Chutetsukan, de Japanse markt voor waterleidingpijpen volledig monopoliseerden. Volgens de FTC kwamen afgevaardigden van de drie bedrijven bijeen om produktiehoeveelheid, prijzen en marktaandeel onderling af te spreken zodat een volledig concurrentieloze markt was ontstaan. Kubota kreeg dankzij het overleg 62-65 procent van de markt, Kurimoto 25-27 procent en Nippon Chutetsukan moest zich tevreden stellen met een marktaandeel van 10 procent. De omzet op deze markt bedroeg in 1997 zo'n 2 miljard gulden.