Sluijters liet zijn doeken stralen

Het werk van onze grote modernist, Jan Sluijters, aan wie nu in het Singermuseum een overzicht is gewijd, wordt over het algemeen geassocieerd met kleur en met expressie. Zo staat het ook in het naslagwerk aller kunstenaars, de Thieme Becker. In zijn jonge jaren, rond 1906, gold Sluijters niet alleen als een vernieuwer, maar ook als een intens levende kunstenaar met een onmetelijke energie en levensdrift, waarvan zijn grote doeken directe afspiegelingen waren. Zijn stevige, niet in de laatste plaats door de fauvisten beïnvloede, vegen in uitgesproken kleuren raakten de toeschouwers uit zijn tijd direct. Daarom reageerden ze er vaak fel op, zowel in positieve als in negatieve zin.

Dit beeld van Sluijters is ook na zijn dood, in 1957, blijven bestaan. Hij is altijd een beetje `onze' bijdrage aan het modernisme gebleven, de schilder van een paar prachtige hoogtepunten, zoals Femmes qui s'embrassent en de nu in Laren geëxposeerde Spaanse danseres of Bal Tabarin (1906). Het zijn werken die destijds zozeer schokten dat zijn toelage van de Prix de Rome werd stopgezet.

Wat die intensiteit betreft en de soepelheid om zich in allerlei actuele stijlen te storten, enkel en alleen om geïnspireerd te raken tot een hyperpersoonlijke uitdrukking van wat hem op een bepaald moment raakte, zou je Sluijters wel met een fenomeen uit de hedendaagse popwereld kunnen vergelijken. Met name met de IJslandse zangeres Björk, wier explosieve en rauwe stemgeluid associaties oproept met de dito natuur van haar geboorteland. Natuurlijk ligt er een jaar of tachtig en een wereld van verschil tussen beiden. Jan Sluijters maakte immers twee oorlogen en een crisis mee en werkte bovendien een leven lang door – wat in kunsthistorisch opzicht overigens niet altijd gunstig is. Björk daarentegen heeft het imago van een energiek, tot het uiterste gedreven vrolijk kind dat zichzelf in een wereld van harde commercie en snelle communicatie helemaal geeft. De overeenkomst zit hem vooral in de onnoemelijke vreugde die er uit beider werk spreekt. En het is waar: in alle vormen van kunst – of het nu om muziek, schilderkunst of literatuur gaat – zijn de meeste gevoelens, zoals melancholie, verdriet of boosheid, wel over te brengen. Maar pure vreugde is vrijwel ondoenlijk en daarom zeldzaam.

Wie Sluijters' werk een beetje kent, denkt bij het woord vreugde natuurlijk onmiddellijk aan het `statement' dat de schilder hierover zelf kort na de Tweede Wereldoorlog gaf, La joie de peindre getiteld. Op dit grote doek is een weelderig naakt tegen een vlammend rood met blauwe achtergond weergegeven. Aan haar voeten staat een enorme bos bloemen te stralen – het genre waarin Jan Sluijters misschien nog wel beter was dan in zijn veelgeroemde portretten.

In het Singermuseum is zeer uiteenlopend werk te zien, ook werk dat Sluijters' imago van omstreden vernieuwer wat relativeert, zoals sommige naakten, portretten en interieurs uit zijn latere jaren. Het is niet zo dat hij op een gegeven moment was uitgeblust (het portret van Wibaut bijvoorbeeld bewijst het tegendeel). Wel is Sluijters niet zijn hele leven dat vurige `schildersbeest' geweest zoals hij zichzelf in 1924 heeft geportretteerd. Half in zijn hemd, staande voor een ezel. Een rode waas over de woeste kop en een fikse kwast in de knuist geklemd, op een manier – met de duim naar voren – dat je er alleen maar mee kunt smeren. Een heel wat conventioneler beeld, van een goedgeklede kunstenaar die met hooghartige blik in de ogen en een dikke sigaar in de hand zijn relaties onderhoudt, kennen we door het portret dat Valentijn van Uytvanck slechts twee jaar later van Sluijters maakte. Ook het aardige videofilmpje bij de tentoonstelling toont Sluijters als het tegendeel van een bohémien. Zijn inmiddels bejaarde kinderen vertellen daarin uitvoerig hoe hun vader stipt op vaste uren schilderde en hoe zelfs zijn dagelijkse biljart- en borreluurtje bij Arti op de minuut af getimed was. Als de meest gevraagde portretschilder die hij was geworden, moest hij blijkbaar zijn uurtjes draaien.

Het kan geen kwaad dat ook die latere portretten en genrestukken evenzeer op de tentoonstelling vertegenwoordigd zijn als het werk van kort voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen Sluijters, net als Leo Gestel, in Parijs en Staphorst verbleef en met verschillende vormen van expressionisme experimenteerde. Het lijkt wel of het museum wil benadrukken dat Jan Sluijters eigenlijk ook een brave burgerman was. Dat hij behalve de hoogtepunten uit zijn experimentele periode nog duizenden andere werken heeft gemaakt. Maar het gekke is dat de streng modernistische schilderijen – waar je de bezoekers om je heen van hoort zeggen: `interessant, het lijkt wel een Kandinsky' of `kijk, hier nadert hij Van Dongen' – niet per definitie meer indruk maken dan de vrolijke, ongecompliceerde interieurs en huiselijke portretten die hij zijn hele leven door van zijn kinderen en kleinkinderen maakte. Het zijn kleurimpressies met hier en daar een totaal nutteloze bloem of vrucht als accent. Schilderijen waaruit de `joie de peindre' als uit een geiser naar boven borrelt. Alleen niet zo artistiek geëngageerd als in zijn begintijd, want de abstractie van de jaren veertig en vijftig paste nu eenmaal niet bij Sluijters. En juist in die beelden van zijn familie en privésfeer bleef hij het meeste zichzelf. Een schildersbeest, maar met familiezin.

Tentoonstelling: Jan Sluijters, 100 schilderijen. t/m 25 april in het Singermuseum, Oude Drift 1, Laren. T/m 25/4. Di-za 11-17u, zo en feestdagen 12-17u. Catalogus ƒ49,50. Tel. (035) 5315656.