Politiek als wiskunde

Eén van de meest treurigstemmende momenten tijdens een Nederlandse verkiezingscampagne is wanneer het Centraal Planbureau de doorrekeningen van de diverse partijprogramma's gereed heeft. Zonder enige relativering gaan partijen met de uitkomsten van de modelmatige computerberekeningen aan de haal. Meer banen, meer economische groei, minder belastingdruk, minder milieubelasting; voor elke partij leveren de exercities van het Planbureau wel ergens een gunstige tabel op. En daar gaat het de vrijwillig geëxamineerde partijen tenslotte om: zoals een wasmiddel moet zijn goedgekeurd door de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, moet een verkiezingsprogramma voorzien zijn van het goedkeuringsstempel van het Centraal Planbureau.

Partijen hebben daar veel voor over, onthulde PvdA-fractievoorzitter Melkert onlangs tijdens een boekpresentatie in Den Haag. Volgens hem wordt er enorm aangerommeld met al door partijen vastgestelde programma's om ze maar in het model van het Planbureau te kunnen laten passen. Aan dat `Planbureau-freundlich' maken van partijstandpunten komt geen achterban meer te pas. Al weer een reden om af te stappen van de dominantie door het Planbureau, vond Melkert.

Een nobel streven, dat wel altijd een streven zal blijven. Het merendeel van de Nederlandse politici is nu eenmaal verslaafd aan modellen en toekomstberekeningen. Hét doorslaggevende argument in een politiek debat is nog altijd ,,dat onderzoek heeft uitgewezen''. Of dat onderzoek op iets is gebaseerd doet niet ter zake. Het dwepen met onderzoeksresultaten doet het in alle gevallen stukken beter dan het hanteren van een principiële stellingname.

Tegen de achtergrond van dit mathematische denken moet ook de ophef rondom de werkzaamheden van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) worden bezien. Dit `milieuplanbureau' bedient zich van ,,leugen en bedrog'' door in uitkomsten van berekeningen onvoldoende te laten doorklinken dat deze zijn gebaseerd op aannames en niet op feiten, zei RIVM-medewerker De Kwaadsteniet in het dagblad Trouw. En direct ging het licht in het kippenhok Den Haag weer aan: spoedoverleg, Kamervragen, verontrusting. Het gaat nu niet om de vraag of het RIVM nu wel of niet voldoende voorbehouden maakt bij haar werkzaamheden; het instituut zelf beweert van wel. Wat de dissidente RIVM-medewerker vooral nog eens heeft duidelijk gemaakt is dat onderzoeksuitkomsten nooit geheel waardevrij zijn.

Het is eigenlijk heel simpel: output is afhankelijk van de input. Als de input (gedeeltelijk) bestaat uit aannames en niet uit vaste gegevens is dat dus een beïnvloedbare en daarmee subjectieve factor. Nieuw? Absoluut niet. Het toont alleen nog eens aan dat modelberekeningen niet meer dan model-berekeningen zijn en ook als zodanig moeten worden beoordeeld. Maar op dit punt gaan veel politici in de fout: de modeluitkomst gaat fungeren als zaligmakende waarheid. De Kwaadsteniet heeft dan ook niet zozeer zijn eigen instituut de spiegel voorgehouden, als wel de politici die zich laven aan theoretische rekenuitkomsten.

De discussie over de uitbreiding van Schiphol heeft dat de afgelopen jaren keer op keer laten zien. `Kosten-eenheden', daar draaide het volgens elke ingewijde politicus allemaal om. Als die ooit door ambtenaar Kosten ontworpen geluidszone werd gepasseerd zat Schiphol met een probleem. Totdat een jaar geleden steeds meer critici erop wezen dat de door Kosten gehanteerde normen op sommige plekken nogal fictief en daarom discutabel waren. Het kabinet koos vervolgens voor een `realistischer' model en zie, voorheen onaantastbare standpunten bleken opeens opgerekt te kunnen worden. Schiphol mag groeien omdat het rekenmodel is veranderd.

Niets heeft zo'n verstikkende uitwerking op het politieke debat als dit dwangmatige modeldenken. Het maken van toekomstig beleid – en wat doen politici anders – is altijd in zekere mate een sprong in het duister. In het zicht van het onbekende moeten politieke keuzes worden gemaakt. Maar Nederlandse politici hebben een bijna maniakale behoefte die keuze te laten bepalen door een op voorhand berekende uitkomst, die nooit de werkelijke uitkomst zal zijn.

Conform deze wiskundige benadering zal de komende tijd ook het debat over het rekeningrijden gevoerd worden. Het idee achter dit systeem, waarover al jaren wordt gesproken, is dat door middel van het prijsmechanisme de spits meer gespreid kan worden, waardoor het fileprobleem wordt verminderd. Op zich is dit een vrij logische gedachte, waarvan alleen in de praktijk kan worden vastgesteld of en in welke mate het werkt. Niets is immers zo onvoorspelbaar als het gedrag van de mens, laat staan als deze in een auto zit. Zo niet de minister van Verkeer en Waterstaat in het wetsvoorstel rekening rijden dat vorig jaar december bij de Tweede Kamer werd ingediend. Na eerst gesproken te hebben over ,,globale berekeningen'' worden enkele regels verder al ,,conclusies'' getrokken. Eén van die conclusies luidt dat het aantal file-uren in de Randstad met 42 procent zal verminderen als autorijden in de spits vijf gulden gaat kosten. Let wel: geen 43 procent of 41 procent, maar 42 procent!

Het hoeft geen verwondering te wekken dat de rekenmeesters die in opdracht van Verkeer en Waterstaat hebben gewerkt (het onderzoek werd vanzelfsprekend naar goed Haags gebruik privaat uitbesteed aan een `consulting group') ook konden concluderen dat bij een tarief van 2,50 per keer 65 procent van de gedragsverandering bij de automobilist tot uiting komt in een ander vertrektijdstip.

Het zijn schijnzekerheden die slechts vertroebelend werken op de principiële keuzevraag die aan rekeningrijden ten grondslag ligt. Want wat zegt VVD-woordvoerder Hofstra? Als de genoemde cijfers niet worden gehaald, moeten we van het rekeningrijden afzien. Niet de richting is blijkbaar belangrijk, maar het getal.

Zo cijferen we in Nederland letterlijk alles weg: van asielzoekers tot WAO'ers, van filekilometers tot aantallen vliegbewegingen in de randen van de nacht. In politiek bedrijven heeft het land zich nooit al te sterk getoond, maar rekenen kunnen we als de beste.