Genereuze kunstliefhebber

De Amerikaanse miljardair Paul Mellon (91) die maandag in zijn huis in Virginia is overleden, was een van de belangrijkste weldoeners van de Amerikaanse kunstwereld. Niet alleen schonk hij musea, universiteiten en bibliotheken vele honderden kunstwerken. Hij gebruikte zijn kapitaal ook om de bouw van complete musea te financieren. Door zijn persoonlijke inzet en betrokkenheid is de National Gallery of Art in Washington een van de grote musea in de wereld geworden.

Paul Mellon was niet het soort mecenas dat zich pas op latere leeftijd op de kunst stort, om na een leven van hard zaken doen toch iets moois na te laten. Hij erfde zijn enorme kapitaal, en zijn leven besteedde hij aan het weggeven van een groot deel ervan.

Mellons grootvader Thomas, die in 1818 als jongetje van vijf uit Ierland naar de Verenigde Staten was gekomen, legde de basis voor de rijkdom. Hij handelde in onroerend goed en opende een bank. Zijn zoons Andrew en Richard bouwden de zaak vanuit Pittsburgh uit tot een enorm internationaal financieel conglomeraat, met grote belangen in het bankwezen, de olie-, aluminium- en glasindustrie.

Andrew, een van de rijkste industriëlen van het land, ging later in de politiek en was minister van financiën onder drie presidenten. Hij had bedacht dat hij het Amerikaanse volk een geschenk zou geven: de National Gallery in Washington. Maar het gebouw was nog lang niet af, toen hij in 1937 overleed. Zijn zoon Paul, die al had opgebiecht dat de kunst hem meer trok dan het zakenleven, begeleidde en financierde de voltooiing, en later de uitbreiding van het museum.

Toen het neoklassieke gebouw in 1941 klaar was, bood Paul Mellon het officieel aan president Roosevelt aan en schonk het de zogeheten Andrew Mellon collectie, een verzameling schilderijen van onder meer Raphael, Van Eyck en Botticelli.

Het was Mellon die de architect I.M. Pei aanzocht voor de bouw van de zogeheten East Building, de uitbreiding waarin de moderne kunst gehuisvest moest worden. Het monumentale, veelhoekige gebouw, dat in 1978 werd geopend, is een sieraad voor de stad, met zijn lichte, uitnodigende hal in het midden, en zijn onverwachte nissen en zalen daar omheen. Mellon en zijn familie betaalden de bijna 100 miljoen dollar die het gebouw kostte. En net zomin als zijn vader wilde Paul zijn naam op de gevel, want dat zou andere weldoeners kunnen afschrikken om schenkingen te doen.

Bijna duizend kunstwerken hebben Mellon en zijn vrouw aan de National Gallery gegeven, waaronder schilderijen van Van Gogh, Matisse, Magritte, Picasso en Rothko. Dat stond een comfortabele levensstijl niet in de weg. Hij fokte paarden, genoot van beeldende kunst en literatuur, en hij verdeelde zijn tijd tussen zijn diverse huizen. In een variatie op de beroemde uitspraak `Wat dit land nodig heeft, is een goede sigaar van vijf cent' (van de politicus Thomas Riley Marshall), zei Mellon: `Wat dit land nodig heeft, is een goede dagdroom van vijf cent'. De toegang tot de National Gallery is gratis.