Drosterhonde bo Oranjesig

Gedeserteerde honden boven Oranjezicht, een onbetrouwbare, losgeslagen bende boven een van Kaapstads betere buurten – zo genoemd omdat de Oranje genaamde punt van het Kasteel naar deze wijk wijst –, onheil buiten en boven de muren van een enclave: het gedicht roept onmiddellijk associaties op met dat andere gedicht over de barbaren die voor de poort zitten. De oude wereld wordt overgenomen door de nieuwe en de oude wereld vraagt zich vergeefs af hoe het zover is kunnen komen.

Wat zou ze hebben gemankeerd, die honden daar? Om weg te lopen uit zo'n fantastische buurt waar ze alles hadden wat hun hartje begeerde? Uit de aanvangsregels is meteen de optiek duidelijk: hier is een bewoner van zo'n `gave' buurt aan het woord, een bewoner die het erg met zichzelf heeft getroffen. De honden kregen nota bene eten in grote bakken. Ook al werd het levensonderhoud steeds duurder, de bakken waren er in elk geval niet kleiner op geworden. De beesten mochten naar een heuse veearts. Meer nog: af en toe was er zelfs een uitje aan de leiband van de baas en af en toe ook mochten ze ondeugend zijn –

snuffelpartytjies op straathoeke,

en die uitdagende lapbroeke

wat die aflewerjong gedra het –

– ondeugend in afgepaste snuffelpartijtjes, weliswaar, en met loopjongens van elders, maar toch ondeugend. Wat sloeg er in 's hemelsnaam in hun kop? Door wie of wat werden ze gebeten?

Het klinkt als een angstige, existentiële vraag. De spreker benadrukt, namens allen, zijn eigen goedheid. Wie kon er een vriendelijker baasje zijn dan wij? En toch gaan die

honde tekere, kompleet soos terroriste,

bo in die berg, en trek as bende saam –

– ze vormen ook nog eens een groep, een organisatie, nu zul je het hebben. Met als aanvoerder zo'n bloeddorstige anonymus met een hoge, harige rug –

Niemand het hul tog verwilder!

– verwondering, vermengd met verbijstering. Hun verwildering kan met geen mogelijkheid van ons afkomstig zijn.

Hier loopt iets uit de hand en het keert zich tegen de spreker. Onrust, chaos en geweld hangen in de lucht. Het gevaar nadert het erf, de achtertuin. Kinderen worden bang, vrouwen raken over hun toeren, er wordt overwogen een geweer aan te schaffen –

Wat kan hulle tog makeer? Is hulle dol?

De verbijsterde vraag van een blanke spreker uit een welvarende wijk. Geen moment is hij in staat de schuld van de hondenopstand bij zichzelf te leggen. We hadden het juist zo goed met ze voor!

Is het een gedicht over de tweeling beschaving en wildernis? Is het een gedicht over het oerwoud in de mens? Nee, het is een parabel voor Zuid-Afrika. Het gedicht verscheen in Peter Blums bundel Steenbok tot poolsee uit 1955. Het is dus ook een profetische parabel. Baasje heeft niet bijtijds ingezien dat hij moest geven en delen en hij interpreteert het protest als een ontkenning van zijn brave vaderlijkheid. Beide partijen radicaliseren. De ene koopt een geweer en de ander bestormt de vesting. Niemand begrijpt een snars van elkaar.

De politici riepen een culturele boycot uit. De fatsoenlijke stemmen werden niet meer gehoord, de dichters zwegen en de zwerfhonden leerden de wetten van de jungle.