De Grote Afrikaanse Oorlog

De burgeroorlogen in Congo, Congo-Brazzaville en Angola zijn door allianties tussen krijgsheren zo verweven geraakt dat er al sprake is van één Grote Afrikaanse Oorlog. Het Westen stelt alleen belang in mineralen.

Drie is kennelijk teveel van het kwade. De rebellie in Congo (ex-Zaïre) en de weer opgelaaide burgeroorlog in Angola hebben de internationale aandacht afgeleid van een derde brandhaard in Midden-Afrika. Bloedige botsingen tussen rivaliserende milities in Congo-Brazzaville hebben de afgelopen twee maanden vele honderden mensenlevens geëist, maar deden alleen alarmbellen rinkelen bij hulporganisaties. In deze voormalige Franse kolonie aan de rechteroever van de rivier de Congo voeren ongeregelde legertjes hit-and-run acties uit tegen de drie grote steden van het land, die in handen zijn van `de regering'.

De macht in de hoofdstad Brazzaville is sinds oktober 1997 opnieuw in handen van Denis Sassou N'Guesso, een gewezen president en krijgsheer uit het noorden. Zijn Cobra-milities, bijgestaan door Angolese troepen en gevechtsvliegtuigen, verdreven toen de gekozen president, Pascal Lissouba, uit Brazzaville. Lissouba beschikte over eigen milities, gerecruteerd in het zuiden. Die hebben zich niet neergelegd bij het machtsverlies van hun patroon-in-ballingschap, trokken zich met hun wapens terug in de bossen en begonnen een guerrilla. Hun aanvallen op de zuidelijke wijken van Brazzaville, eind december, en het antwoord van Sassous artillerie legden wat er na de strijd van 1997 nog restte van de – eens – fraaiste stad van Franstalig Afrika in de as.

De strijd in Congo-Brazzaville is innig verweven met de burgeroorlog in Angola, die na een nooit voltooid `vredesproces' in december weer in alle hevigheid is ontbrand. Sassou, die zich tijdens zijn presidentschap in de jaren tachtig marxist noemde, is een oude vriend van de Angolese president Edoardo Dos Santos. Sassous rivaal Lissouba, op zijn beurt, deed goede zaken met de Angolese rebellenleider Jonas Savimbi, die de diamanten uit door hem gecontroleerde mijnen in Angola mocht uitvoeren via Congo-Brazzaville. Dat was voor Angola aanleiding om Sassou in 1997 opnieuw in het zadel te helpen. Daarbij bezetten de Angolese hulptroepen en passant de Atlantische havenstad Pointe Noire, het economische zwaartepunt van Congo-Brazzaville. Het land moet het hebben van de rijke olievelden voor de kust, die goeddeels worden geëxploiteerd door de Franse maatschappij Elf-Aquitaine, en in Pointe Noire wordt de olie opgeslagen en verscheept. De oliewinning heeft tot dusverre niet geleden onder het krijgsgeweld, de booreilanden liggen ver uit de kust en Elf-Aquitaine kan het goed vinden met de Angolezen, want deze firma exploiteert ook olievelden voor de kust van Cabinda.

Aan de zijde van Sassous milities vechten, behalve Angolezen, ook Rwandezen mee. Het gaat om uitgeweken Hutu's, voormalige regeringssoldaten en militieleden die een hoofdrol speelden tijdens de Rwandese genocide in 1994 en, na de machtsovername door Tutsi-ballingen, uitweken naar toenmalig Zaïre. Door de opmars van het door Rwanda gesteunde rebellenleger van Laurent Kabila, die in mei 1997 dicator Mobutu uit de hoofdstad Kinshasa verjoeg, werden deze Hutu's steeds verder naar het westen gedreven. Uiteindelijk staken ze de rivier de Congo over en namen ze hun toevlucht in Brazzaville. Sinds oktober 1997 kan president Sassou N'Guesso beschikken over 's lands oliebaten en kan hij de Hutu-strijders betalen voor hun krijgsdiensten.

De oorlogen in de buurlanden Congo (ex-Zaïre), Congo-Brazzaville en Angola zijn door grensoverschrijdende coalities zozeer verweven geraakt dat we kunnen spreken van één Grote Midden-Afrikaanse Oorlog met vele fronten. Bij partijkeuze geldt de stelregel: de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.

President Kabila van Congo had aanvankelijk weinig op met de Hutu-vluchtelingen in zijn land, maar toen bondgenoot Rwanda zich in augustus vorig jaar tegen hem keerde en een opstand van Congolese Tutsi's ging steunen, sloot hij een verbond met Rwandese génocidaires. Die bleken nog het meest gemotiveerd om de strijd aan te binden met de invallers uit het oosten. Toen Angola in augustus vorig jaar partij koos voor Kabila, maakte het nieuwe vijanden in het gebied van de Grote Meren. Bewijzen zijn nog niet geleverd, maar de regering-Dos Santos beweert stellig dat er in Angola Rwandese en Oegandese soldaten meevechten met Savimbi's rebellenbeweging UNITA.

De oorlogen in beide Congo's en in Angola zijn niet alleen verweven door gelegenheidscoalities, ze hebben ook vergelijkbare wortels: de onwil van `sterke mannen' om de staatsmacht te delen. Kabila bleek evenmin als zijn voorganger Mobutu bereid om kopstukken van de oppositie in zijn regering op te nemen, Sassou N'Guesso rept van `nationale verzoening', maar zijn kabinet bestaat uit louter getrouwen en de door Dos Santos in 1994 beloofde `regering van nationale eenheid' in Angola kwam nooit van de grond. De tegenstrevers van dit drietal wraken de `machtswellust' in de hoofdsteden, maar hun antecedenten beloven weinig beters. De Congolese Tutsi-rebellen en hun bondgenoten maken gemene zaak met oude getrouwen van Mobutu, de Angolees Jonas Savimbi duldt al dertig jaar geen tegenspraak, ook niet in eigen gelederen, en de in 1997 verdreven machthebber in Brazzaville, Pascal Lissouba, vertrouwde toen hij nog in functie was alleen op privé-milities van stamgenoten.

Van de drie staten in kwestie resten na jaren van burgeroorlog nog slechts de apparaten die de royalties opstrijken van de rijkste bodemschatten van Afrika: olie, diamanten, koper, kobalt en goud. Sonangol, de staatsoliemaatschappij van Angola, inde in 1998 1,5 miljard dollar aan aardoliebaten, waarvan eenderde niet terug te vinden is in de staatsbegroting. De olie-inkomsten worden bestierd door de zogenoemde futunguistas, de kliek rond Dos Santos die zetelt in Futungo, een voorstad van Luanda. Een minister en vertrouweling van Kabila verkocht op eigen houtje het leeuwendeel van de staatsmijnbouwreus Gécamines aan een obscure ondernemer uit Zimbabwe en Sassou N'Guesso doet hoogstpersoonlijk zaken met Elf-Aquitaine. De `rebellen' en hun bondgenoten doen zich in door hen gecontroleerd gebied tegoed aan de niet eens zo schamele restjes. Savimbi's UNITA verkocht in 1998 voor 500 miljoen dollar aan diamanten en Oegandese officieren doen aan het thuisfront goede zaken in goud en tropisch hardhout uit Oost-Congo.

De krijgshandelingen aan de verschillende fronten concentreren zich allengs minder op de hoofdsteden en steeds meer op de plaatsen waar mineralen worden gewonnen en verscheept. Savimbi's UNITA belegert Angolese steden zonder de bedoeling ze in te nemen. Zo bindt hij regeringsgarnizoenen en houdt hij de vrije hand in de diamantgebieden. De afgelopen week braken UNITA-eenheden door in de richting van de strategische oliehaven Soyo. De Congolese rebellen wekken niet langer de indruk dat ze opmarcheren naar Kinshasa, maar concentreren zich op de centra van de diamant- en koperwinning, Mbuji-Mayi en Lubumbashi. De Angolese troepen in de beide Congo's bevinden zich niet in Kinshasa en Brazzaville, maar in de oliehavens Matadi en Pointe Noire.

Intussen lijkt het Westen alleen nog geïnteresseerd in het draaiend houden van olieplatforms en mijnen. De Midden-Afrikapolitiek van de Verenigde Staten en de lidstaten van de Europese Unie is goeddeels `geprivatiseerd'. Met uitzondering van VN-organisaties zijn de Westerse hoofdrolspelers op het Midden-Afrikaanse toneel niet langer diplomaten, maar stafleden van niet-gouvernementele organisaties en ondernemers in de oliewinning en mijnbouw. De hulpverlening aan de opgejaagde bevolking wordt overgelaten aan de VN en NGO's en vredeshandhaving wordt steeds vaker toevertrouwd aan militaire `consultants', die particuliere opdrachtgevers helpen bij de pacificering van hun werkterrein. Voor de uitslaande brand in Midden-Afrika zijn geen andere spuitgasten voorhanden.