Aan de rand van het grote niets

Wie er dertig uur treinen voor over heeft, kan een prachtige reis maken van het Canadese Toronto via Cochrane naar Moosonee, aan de rand van de Hudson-baai. Duizend kilometer langs heuvels, meren, beverdammen, moerassen en wissels die onderweg door het treinpersoneel persoonlijk verzet moeten worden. Waarna de reiziger aankomt in het gebied van de Cree-indianen, waar het leven een geheel eigen ritme heeft en waar elektriciteit en stromend water nog synoniem zijn voor `vooruitgang'.

Drie dagen met een blanco agenda in Toronto overkomt me niet elke week, al helemaal niet tijdens een hittegolf, verder wilde ik toch al jaren eens aan de rand van de Hudson-baai staan en de afstand Toronto-baai blijkt volgens een inderhaast gekochte landkaart slechts een kilometer of duizend te bedragen. Dat komt dus allemaal mooi uit. Op de parterre van een wolkenkrabber tikt een reisbureaumedewerker wat op een toetsenbord en meldt dat hij nog wel een retourticket kan leveren naar Churchill, aan de westflank van de baai. Als ik snel beslis en me minstens zo snel naar het vliegveld haast, kan ik er via Winnipeg binnen een uur of vijf zijn. De bestemming trekt me, want ik had ergens gelezen dat je vanuit Churchill zelfs 's zomers naar de ijsberen kon: per helikopter waren ze in het ontdooide toendralandschap snel gevonden en als succes uitbleef at de piloot de rekening op. Helaas moet de retourvlucht naar Churchill zelf al ƒ2.500 kosten.

Een kwartier later vervoeg ik me daarom bij een balie op het spoorstation, waar een dame met een polaire uitstraling goed nieuws heeft: als ik bereid ben dertig uur in de trein te zitten, twee nachten door te brengen in het sterrenloze Commando Motel in Cochrane en daarvoor respectievelijk ƒ386 en ƒ174 wil betalen, maar dan in dollars, zorgt de Ontario Northland Railway ervoor dat ik gedurende vier uur en 25 minuten aan de rand van de Hudson Baai kan vertoeven – ƒ122,72 per uur dus - en dat ik binnen tweeëneenhalf etmaal weer terug zal zijn in Toronto. Dergelijke aanbiedingen zijn schaars en een besluit is snel genomen. Pas na vertrek bereken ik dat het vliegretour naar Churchill me anderhalf etmaal aan de baai had opgeleverd voor ongeveer ƒ75 per uur. Stóm!

We slaan een treinreis van elf uur en 720 kilometer over, inclusief krankzinnige hoeveelheden bos, heuvels, meren, beverdammen, moerassen, ettelijke wissels die onderweg door het treinpersoneel persoonlijk verzet moeten worden (en na het passeren opnieuw) en een eland die vlakbij het spoor rompdiep door het water wegplonst als er ineens een trein langs zijn meer rijdt: leuk om te zien, zeker vanuit de restauratiewagen vanachter een bord spaghetti, ook al is die opgewarmd in een magnetron.

Met vijfduizend inwoners is Cochrane in Noord-Ontario een stad van belang, al had het vermoedelijk nooit bestaan als hier niet vier spoorlijnen samenkwamen. Bij aankomst is de zon al ruimschoots onder, regent het en beginnen net de eerste onlusten bij de ingang van de discotheek. `Save yourself some rain!', luidt het ongevraagde advies van een politieagent in een kogelvrij vest aan een dronken indiaan die bij de voordeur is neergezegen; maar hij blijft liever buiten liggen. Vijf andere aangeschoten native Americans bevolken een motelkamer naast de mijne en beuken een paar keer op mijn buitendeur als protest tegen het geluid van een lopende kraan en om te laten weten wie hier de dienst uitmaken. Dat is overigens het Filippijnse echtpaar dat het Commando Motel drijft, want dit is een land van immigranten.

De volgende ochtend is het kraakhelder. Over de Rue Railway Street loop ik naar het station en volg daar de borden Polar Bear Express / Express de l'Ours Polaire, tot het perron waar de Express juist vanuit het Grote Niets komt voorrijden. Laag zonlicht strijkt goudgeel over het enorme rangeeremplacement en over de eindeloze heuvels met niets dan naaldbossen die zich daarachter uitstrekken. Een milde, alom aanwezige dennenlucht kruidt elke inademing. Het ruikt ook koud. Om half negen precies brult iemand All aboard! en vertrekken we naar Moosonee, aan de rand van de toendra, 299 kilometer verderop.

Met een dagelijkse treinverbinding in de zomer en drie keer per week in de rest van het jaar mogen de ruwweg vierduizend Cree indianen van Moosonee en het nabijgelegen Moose Factory in hun handen wrijven. Dankzij het hier eindigende spoor (sinds 1931) en de goede bereikbaarheid over water kreeg de dubbelplaats een centrumfunctie voor de hele zuidelijke Hudson-baai. Allerlei besturen zetelen hier, er is een middelbare school, er staat een ziekenhuis waar driehonderd Crees emplooi vinden. En er staat een winkel ter grootte van een vliegtuighangar waar de rest van het dorp bijna in past. Voor 4,97 dollar koop je in Your everyday valuestore een wasbeerstaart, voor thuis aan je brommer of als herinnering aan de Hudson's Bay Company (HBC) die deze winkel een paar jaar geleden verkocht. Daarmee brak de laatste concrete band tussen Moosonee en Moose Factory, en de onderneming waaraan beide plaatsen hun bestaan te danken hebben. In 1673, drie jaar na de oprichting, opende de HBC hier een inzamelpunt van bever-, beren-, marter- en zilvervospelzen die geruild werden tegen vuurwapens, canvas, alcohol en andere westerse vindingen. Zeker vijfduizend jaar hadden de Cree indianen van de landbouw geleefd, of waren ze half verhongerd na misoogsten – nu konden ze ineens stevig bijverdienen door vallen te zetten en huiden aan te leveren. Rond de HBC-panden in Moose Factory verrees een indianendorp – en later idem rond de vestiging van de Parijse modekoningen Revillon Frères in Moosonee die daar in 1903 hun eigen bontbronnen aanboorden omdat ze genoeg hadden van het HBC-monopolie. Vuurwapens werden en worden weinig gebruikt omdat ze gaten maken in de handelswaar. Canada is er het land niet naar om veel aandacht te besteden aan beverrechten en verwante sentimenten, blijkt in het oude Revillon-hoofdkwartier, waar allerlei gemene vallen zonder gêne worden geëxposeerd. Tegenwoordig stelt de pelsjacht niet meer veel voor.

Tussen Moosonee en Moose Factory ligt, twee kilometer breed, de monding van de Moose River. Bij vloed ben je in vijf minuten aan de overkant, bij eb in tien. In beide gevallen gaat dat per freighter canoe en kost het vijf dollar. Een Cree op leeftijd trekt aan het koord van zijn veertig pk buitenboordmotor en even later planeren we zeer snel over de getijdenstroom, met een grote bocht rond een zandbank omdat het eb is. Het verkeer van en naar Moose Factory mag intensief heten: aan bakboord en stuurboord, voor en achter ons – overal trekken de racekano's schuimende sporen en V-vormige golven tussen beide nederzettingen.

De taxikano of kanotaxi meert af aan een houten pier.

's Winters hadden we Moose Factory bereikt over de flauwe helling tussen water en land, direct naast de pier. Over het ijs en per auto dus. Tijdens de dooi en in november, als het ijs nog te dun is, vliegt er een helikopter heen en weer. ,,Dat kost je veertig dollar voor een retour, dus je bedenkt je wel even voordat je in Moosonee naar de bank wil of zo'', zegt Doug Hooey met uitzicht op de kanohaven van Moose Factory. Hij is een van de zeer schaarse blanken op het riviereiland en volgens eigen opgaaf geheel tevreden. ,,Fun living here?'', vraag ik. ,,Absolutely! Ik kom uit een stad in Zuid-Ontario. Universiteit gedaan, opgegroeid in een zakenmilieu. En daar ontbrak dat gevoel van het-hoeft-niet-per-se-vandaag. Hier is alles relaxed.'' Zo relaxed dat zelfs Hooey er gemiddeld eens per twee maanden even genoeg van krijgt en naar een grote stad vliegt. Hier geeft hij leiding aan de bakkerij die brood bakt voor dorpen langs de hele James-baai. Voor Attawapiskat bijvoorbeeld, ruim tweehonderd kilometer verder. ,,'s Winters rijdt er vijf keer per week een vrachtauto, nu brengen we het met een vliegtuig. Een brood kost daar drieëneenhalve dollar. Een drieliterzak melk veertien dollar.''

De houten, in vrolijke kleuren geschilderde, vaak wat bladderende indianenhuizen van Moose Factory staan ruim uit elkaar in het bos. Dat je niet in Zoetermeer bent, is verder te zien aan de hoge teepees en de geparkeerde kano's in de tuinen. ,,We vinden het gewoon leuk om af en toe met de hele familie in een teepee te zitten'', verduidelijken twee vrolijke Cree-vrouwen. ,,Dat is onze traditie. Dan bakken we bannickbrood, en roken we vissen en ganzen.'' Kennelijk ook leuk om in te zitten zijn de buitenissig grote Buicks en Chevrolets waarmee de bevolking over de zandwegen van de nederzetting scheurt. Van de 18de-eeuwse HBC-kwartieren is weinig meer over.

Dat de zichtbare restanten van de HBC ooit één geheel vormden, moet je weten. Een kleine, gammele, planken smederij uit 1740 schijnt het één na oudste westerse gebouw in Noord-Amerika te zijn. Een paar honderd meter verderop bewaken een verlegen Cree-meisje en een sledehond het grootste overgebleven gebouw van de HBC, twee verdiepingen hoog, waar de gouverneur en zijn staf bivakkeerden. Het mooiste aan deze historische grond is de mateloze leegte: de enorme grasvlakte vol paardebloemen, hier en daar een paar scheefgezakte grafzerken, de zeer brede Moose River, de peilloos diepe bossen die beginnen aan de andere kant. Achthonderd kilometer verder ligt Montreal en onderweg zou je de eerste 750 kilometer waarschijnlijk niemand tegenkomen.

Dat ook aan de James-baai steeds meer materiële vooruitgang komt, heeft de zegen van Darin McLeod (31). In de trein terug naar Cochrane vertelt hij op een zangerige, niet-westerse toon: ,,Als kind moest ik nog met emmers en een juk water halen. Een spoeltoilet hadden we niet, wel een hokje in de tuin. En als je er dan 's winters in de nacht uit moest, bij min veertig! Voor de verlichting hadden we alleen olielampen. Elektriciteit vind ik iets geweldigs! Ik ben nog jong en toch heb ik zoveel verandering gezien.'' Hij is kok in het ziekenhuis, maar zoekt iets anders in een wat grotere plaats, vandaar de treinreis. Het verlaten van zijn dorp is een zeldzaamheid. ,,De laatste keer waren er nog speciale wagons voor de Cree. Ik vroeg net aan een conducteur waar ik kon gaan zitten, maar die regel bleek te zijn afgeschaft.'' Enthousiast praat hij over de herleving van de traditionele dorpsbijeenkomsten (powoos) met veel dansen en vertelt hij hoe goed zijn vrouw bevervlees kan koken in hun teepee. Maar de tragiek van de subtiele culturele overheersing van de blanken lijkt toch de boventoon te voeren. Wat zal er bijvoorbeeld worden van de Cree-taal, nu haast geen jongere er nog aan begint? ,,Mijn vrouw spreekt het nog vloeiend, ik geen woord'', moet hij bekennen. ,,En alcohol blijft een van de grootste tragedies van ons volk. Ik heb nog zo geprobeerd mijn vader duidelijk te maken dat hij moest stoppen, maar het lukte hem niet. Het was een brandende passie en hij stierf op bed met een fles in zijn hand.''

Het is donker als de IJsbeer Expres Cochrane binnenrolt. Welcome to Pepsi Cola Country, schreeuwt een felverlicht reclamebord.