Sopraan Upshaw vol eenvoud en ongekunsteldheid

Folklore in klassieke muziek ruikt naar edelkitsch, maar is dat in het oeuvre van Charles Ives (1874-1954) en zijn Franse tijdgenoot Joseph Canteloube (1879-1957) allerminst. Ives verpakte folklore in mistige jeugdherinneringen, Canteloube verhief de volksdeuntjes van zijn geboortestreek tot in eenvoud uitmuntende kunststukjes.

Dat de muziek van Ives niet ontbreekt op de Europese Tournee die Michael Tilson Thomas deze maand maakt met zijn San Fransisco Symphony Orchestra, ligt voor de hand. Tilson Thomas geldt als een specialist in de werken van twintigste-Eeuwse Amerikaanse componisten, en bevestigde die reputatie gisteravond in het Concertgebouw in Ives' Three Places in New England.

In dit drieluik herinnert Ives zich de sfeer van New England in gecomprimeerde programmatische `eenakters' vol flarden marsmuziek en verwrongen kinderliedjes. Tilson Thomas slaagde er ogenschijnlijk routineus in de mystieke sfeer van het eerste deel - een processie van de geesten van burgeroorlogslachtoffers - tot leven te wekken.

Zijn linkerhand diende hierbij slechts tot het omslaan van de partituur en vervulde nergens een expressieve functie, maar dat deed niets af aan de controle waarmee in dit deel mistige verhevenheid, in het volgend deel wellustige overdaad tot klinken kwam.

Het Concertgebouw bracht dit concert, dat zondag in Brussel zal klinken, onder in de serie Grote Solisten vanwege de bijdrage van sopraan Dawn Upshaw. Haar aandeel bleef helaas beperkt tot acht liederen uit Canteloubes vier liedbundels Chants d'Auvergne. Canteloubes hoorbare affiniteit met de volksmuziek uit de Auvergne zette hem aan tot orkestliederen die dicht bij de eenvoudige, van het land geplukte originelen blijven, en juist daardoor het meest gebaat zijn bij een evenzeer ongepolijste aanpak.

Upshaw stemde haar rijke sopraan af op de golflengte van eenvoud en benaderde elke noot met getemperd fado-achtige glissandi. De gebruikelijke, statische concertmotoriek verving zij door een beweeglijkheid, zonder daarbij vocaal te vervallen in de banaliteiten waartoe deze met tralala-frasen doorregen muziek kan, maar niet mag verleiden. Niets is moeilijker dan ogenschijnlijke ongecompliceerdheid, maar Upshaw is de kunst der ongekunsteldheid meester.

Hoewel Tilson Thomas de begeleiding in Canteloube niet liet overheersen, blijft het een feit dat alle dynamiek bij een Amerikaans orkest als het San Francisco Philharmonic naar Europese maatstaven harder wordt ingevuld dan hier gebruikelijk. In de Vijfde Symphonie van Sergej Prokofjev leidde dat soms tot wat minder subtiliteiten dan de partituur voorschrijft. Zo viel er in het derde deel (cijfer 60/61) geen enkel verschil tussen forte en piano te bespeuren, maar in de invulling van details als de talrijke espressivo-passages bewees Tilson Thomas over een genuanceerde visie te beschikken.

Concert: Serie Grote Solisten. San Francisco Symphony Orchestra o.l.v. Michael Tilson Thomas m.m.v. Dawn Upshaw (sopraan). Werken van Ives, Canteloube en Prokofjev. Gehoord: 2/2 Concertgebouw, Amsterdam.