Lading El Al was na ramp bekend

De verkeersleiding op Schiphol wist al ongeveer een half uur na de ramp met het El Al-vliegtuig in de Bijlmer dat de lading van het toestel explosieve en giftige stoffen bevatte.

Deze informatie was afkomstig van El Al zelf, dat er echter prompt op aandrong om hierover geen mededelingen naar buiten te doen. De verkeersleiding zegde dat toe.

Dit bleek vanmorgen bij de hervatting van de verhoren door de enquêtecommissie, die namens de Tweede Kamer een onderzoek instelt naar de toedracht van de ramp met het El Al-vliegtuig op 4 oktober 1992.

M. Augusteijn, lid van de commissie, onthulde dat uit een tot dusverre onbekende geluidsband van een half uur na de ramp was gebleken dat de verkeersleiding bij El Al telefonisch navraag had gedaan naar de aard van de lading. De Israelische luchtvaartmaatschappij had daarop geantwoord dat het ging om een behoorlijke hoeveelheid explosieven, gif, munitie, gassen en brandbare vloeistof. De maatschappij had er vervolgens, aldus Augusteijn, op aangedrongen om hierover niets naar buiten te brengen.

De man die namens Schiphol aan de andere kant van de lijn het woord voerde, stelde El Al vervolgens in dit opzicht gerust. ,,Dat zullen ze niet van ons horen.'' Uit een ander telefoontje kort na de ramp bleek volgens Augusteijn dat er ,,besloten wordt informatie onder de pet te houden''. Het lid van de enquêtecommissie omschreef dit als een uitlating van ,,een van de betrokkenen'' zonder diens identiteit overigens prijs te geven.

Augusteijn confronteerde vervolgens S. Koopmans, destijds chef van de luchtverkeersleiding op Schiphol, met deze informatie. Deze bleek hiervan al langere tijd op de hoogte te zijn. Hij verklaarde dat de band met de betreffende telefoongesprekken gedurende de jaren na de ramp in een kluis was bewaard, omdat de verkeersleiding besefte dat het om belangrijk materiaal ging. Hij had zelf pas na geruime tijd de band nog eens aangehoord en begrepen dat die belangrijke informatie bevatte. ,,Die informatie verbaasde me toen wel'', aldus Koopmans vanmorgen. Waarom hij er niet eerder mee naar buiten was getreden, kon hij niet zeggen. Op 18 januari van dit jaar had hij het echter beter geoordeeld de commissie over de band en de inhoud daarvan in te lichten.

Koopmans zei dat voor zover hij wist zijn superieuren op Schiphol en bij de Rijksluchtvaartdienst destijds diezelfde avond waren ingelicht omtrent het nieuws over de inhoud van de lading. De toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat, H. Maij-Weggen, antwoordde enige tijd na de ramp op schriftelijke vragen uit de Tweede Kamer dat het toestel geen militaire goederen bevatte. Uit de andere verhoren van deze morgen werd duidelijk dat de verkeersleiders nooit direct bij het (voor)onderzoek naar de toedracht van de ramp zijn betrokken.

Bijlmerenquête3