Indië-veteraan

In zijn woonplaats Leidschendam is gisteren op 78-jarige leeftijd Sjoerd Albert Lapré overleden. Hij kreeg landelijke bekendheid als voorzitter van de Stichting Japanse Ereschulden (JES). De stichting werd in 1990 opgericht om de Japanse regering te bewegen tot schulderkenning, spijtbetuiging en herstelbetaling voor de misdaden in de Tweede Wereldoorlog. Lapré trad in juli vorig jaar terug als voorzitter waarbij hij verklaarde geen plezier meer in het werk te hebben. Een jaar eerder was hij na een licht herseninfarct ook al afgetreden, een besluit waar hij later weer op terug kwam. In die tijd beschuldigden verontruste leden het bestuur van JES van het besteden van gelden aan doelen die niets met de stichting te maken hadden. Ook waren bezwaren gerezen tegen het afreizen naar Japan op kosten van de Japanse regering. Een bestuurslid noemde Lapré ,,een ernstig zieke man'', die tweedracht zaaide. Lapré was woedend.

Lapré werd in 1920 in Batavia geboren. Hij bracht als KNIL-militair drieëneenhalf jaar door in een Japans interneringskamp en werd onder meer te werk gesteld bij de aanleg van het vliegveld van Singapore. Na de oorlog vocht hij als KNIL-officier mee in de `politionele acties' tegen de opstandige Indonesiërs. Daarna was hij als militair actief in Nieuw-Guinea en Suriname. Voor zijn heldhaftige optreden tijdens de politionele acties ± hij behoedde onder meer een dorp voor vernietiging door guerrilla's ± werd Lapré onderscheiden met de Militaire Willemsorde. In 1997 bevorderde koningin Beatrix hem van majoor tot kolonel. Deze bevordering met twee rangen (de rang van luitenant-kolonel werd overgeslagen) was nog niet eerder te beurt gevallen aan een militair buiten dienst. Lapré droeg de bevordering op aan de veteranen en slachtoffers van de strijd in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea.

De Stichting Japanse Ereschulden telt op dit moment zo'n 30.000 donateurs. Ongeveer 75.000 mensen hebben via de stichting een claim tegen Japan lopen. De strijd van de stichting bereikte november vorig jaar een voorlopig hoogtepunt, toen een Japanse rechter de eis tot schadevergoeding weliswaar afwees, maar erkende dat de behandeling van de geïnterneerden door het Japanse leger in strijd was met internationale verdragen.