Franse cinema bloeit in provincie meer dan in Parijs

Als we Internet-filmcriticus Harry Knowles, oprichter van de populaire filmsite Ain't It Cool News, moeten geloven, dan reikt zijn invloed heel erg ver. De 27-jarige goeroe uit Austin, Texas (150 kilo, hawaiishirt, lang haar en een puntbaard), gastspreker op een seminar van de Kring van Nederlandse Filmjournalisten over de toekomst van de filmkritiek, wordt de hele tijd omstuwd door enkele Nederlandse fans. Knowles meent dat de Hollywoodstudio's sidderen voor zijn campagnes voor of tegen nieuwe films, die door 1,2 miljoen Internetgebruikers gelezen zouden worden. Hij claimt verantwoordelijkheid voor de toegenomen kwaliteit van de zomerhits in de Amerikaanse bioscopen gedurende de afgelopen twee jaar. Maar als straks de ook in Rotterdam vertoonde film Gods and Monsters van Bill Condon een of meer Oscars wint, komt dat niet alleen doordat Knowles de film al maanden onder zeventien pseudoniemen hardnekkig verdedigt.

Gods and Monsters, gebaseerd op Christopher Brams roman Father of Frankenstein, beschrijft een fictieve episode aan het einde van het leven van de Britse, min of meer openlijk homoseksuele Hollywoodregisseur James Whale (1889-1957). Ian McKellan speelt met sublieme ironie de verbitterde oude kunstenaar. Dat niemand zijn werk meer naar waarde schat en het reduceert tot de succesvolle eerste twee Frankenstein-films, is een lot dat heldhaftig gedragen dient te worden. Dat zijn gezondheid geen gelijke tred houdt met zijn libido is een veel ernstiger bron van depressies. In de ontmoetingen met een potige jonge tuinman (Brendan Fraser), die voor Whale poseert, speelt Gods and Monsters intelligent de tegenstellingen uit: tussen homo- en heteroseksualiteit, tussen de generaties, tussen Amerika en Europa, maar vooral tussen levenslust en verval. Bovendien is het de eerste speelfilm waarin een duidelijk verband gelegd wordt tussen de nasleep van de Eerste Wereldoorlog, het filmexpressionisme en de bloeitijd van Hollywood in de jaren dertig en veertig, toen Europese immigranten de demonen uit hun verleden voor hun artistieke karretje spanden.

De eerste regisseur die tamelijk zeker kan zijn zaterdag met een van de drie Tiger Awards naar huis te gaan, is de Franse Sandrine Veysset. In het relatief zwakke Rotterdamse competitieprogramma van dit jaar steekt Victor: pendant qu'il est trop tard boven de concurrentie uit. Net als in haar debuut van twee jaar geleden Y aura-t-il de la neige à Noël? creëert Veysset een fantasiewereld, waarin een kind kan ontkomen aan de onbegrijpelijke wreedheid van de volwassenen. De kleine Victor loopt weg van zijn ouders en vindt liefde en bescherming bij een tippelaarster, die hem misschien nog wel meer nodig heeft dan hij haar. Mooi intens en dicht op de huid kruipend camerawerk compenseert op emotioneel niveau ruimschoots de inconsistentie van het scenario. De uit Avignon afkomstige en daar werkende Veysset is het zoveelste voorbeeld van de groei en bloei van een jonge Franse cinema, die zijn onderwerpen ver buiten Parijs zoekt, in het Bretagne van Manuel Poirier, het verre noorden van Erick Zonca's La vie rêvée des anges of de provinciale odyssee van Philippe Grandrieux' Sombre. Die nieuwe Franse cinema, zonder modieus geklede en goed gebekte jonge Parisiennes, maakt wel weer kans op internationale waardering en herkenning.