Carnaval

Wanneer ik vroeger tijdens de zondagmiddagwandelingen aan de hand van mijn ouders een bepaald gebouw aan de Nieuwe Binnenweg passeerde, een groot gebouw met een strenge gevel en stijf gesloten gordijnen, overviel mij steeds hetzelfde onverklaarbare gevoel van neerslachtigheid. Toch kon ik niet nalaten tersluiks door de hoge toegangspoort naar de binnenplaats te kijken waaromheen het reusachtige bouwwerk was opgetrokken, met in het midden twee trappen die aan weerszijden van een bordes naar een massieve deur leidden. Er ging iets geheimzinnigs en dreigends van uit, en huiverend vroeg ik me af of het er spookte of dat het een gesticht voor ongure personen of slechte kinderen was, die er onder erbarmelijke omstandigheden gevangen werden gehouden.

Misschien heb ik toen al onbewust geweten dat ik later ontelbare bezoeken zou brengen aan deze geheimzinnige instelling, waar lang geleden, toen het nog Sint-Antoniusgesticht heette, arme, ongeneeslijk zieke rooms-katholieke vrouwen door religieuzen werden verpleegd en ook behoeftige bejaarden en wezen werden opgenomen. Want ruim een halve eeuw na die zondagse wandelingen brak mijn moeder haar heup toen zij langs een op het trottoir neergezette fiets liep, die door een plotselinge rukwind tegen haar aan viel.

Omdat er nergens anders plaats was, werd zij ter revalidatie opgenomen in Antonius Binnenweg, zoals het inmiddels was gaan heten, waar zij met mijn vader, die niet zo lang alleen thuis kon blijven, de beschikking kreeg over een kale, witgepleisterde kamer met uitzicht op een blinde muur en een gedeelte van de binnenplaats. Daar heb ik iedere week urenlang bij hen in de schemerige, naargeestige ruimte gezeten, en in de zogenoemde conversatiezaal, waar de wanden van de vloer tot het plafond beplakt waren met herfstbossenbehang, thee met hen gedronken aan een tafel met een Kaaps viooltje, tussen een onontwarbare verzameling rolstoelen. Toen mijn moeder, eerder dan verwacht, genezen werd verklaard, kwam het vreselijke moment dat wij er mijn vader moesten achterlaten, die er kort daarop is gestorven.

Ongeveer zes jaar later brak mijn moeder — zij was toen bijna negentig — haar andere heup. Na de operatie in het ziekenhuis wilde zij per se naar de vertrouwde locatie aan de Nieuwe Binnenweg terug, waar de nonnen door verpleegsters waren vervangen en haar op de eerste verdieping een kamer werd toegewezen, die zij met een leeftijdgenote moest delen. Zo begaf ik mij opnieuw vanuit Amsterdam geregeld naar het gedenkwaardige bouwwerk, dat nog steeds dezelfde sombere aanblik bood en waar de binnenplaats, met de grijze hoofden van de inwonende bejaarden achter de ramen van het souterrain, groenbemost was uitgeslagen. Weer herkende ik de vage, weeë lucht van urine en gekookt eten wanneer ik de brede eikenhouten trappen besteeg, en weer bracht ik mijn moeder in haar rolstoel tegen theetijd naar de conversatiezaal, ditmaal een andere, waar de muren geen bronsgetinte najaarswouden vertoonden.

Half februari zou er op haar afdeling carnaval worden gevierd, en alle verpleegden die ertoe in staat waren werden uitgenodigd, verkleed of met iets carnavalachtigs op of aan, mee te doen. Mijn moeder, die vergezeld van mijn vader zelden het bal masqué van hun vroegere toneelvereniging in de Doelen had overgeslagen, en zorgvuldig de foto had bewaard die zij als heel jong meisje met haar vriendinnen in Tiroler klederdracht had laten maken ter herinnering aan hun eerste gekostumeerde bal, begon onmiddellijk met mij te overleggen hoe ze zou gaan.

Op de afgesproken dag haastte ik mij met een bos trompetnarcissen en de nodige attributen voor haar verschijning als bloemenvrouwtje naar de eerste etage, waar de bonte slingers vreemd afstaken bij het oude gestichtsinterieur en de deelnemers aan de carnavalsoptocht zich na het rustuur in de hal verzamelden. Te midden van het bezoek en de toekijkende andere patiënten zag ik de lange rij aan mij voorbijtrekken, die, voorafgegaan door een harmonicaspeler in clownspak, hoofdzakelijk uit rolstoelen bestond en hier en daar werd afgewisseld door een gedaante op krukken. Sommigen droegen een ochtendjas over hun nachtgoed, en bijna allemaal hadden ze een feestneus en feestmuts op en bliezen geestdriftig op een toeter of zogenoemde roltong. Mijn moeder, die als enige een poging had gedaan om iets voor te stellen, was met mijn narcissen in een mandje op haar schoot en de zwarte schouderdoek van wijlen mijn grootmoeder een uitzondering en keek van onder de strooien zomerhoed die ik uit de toneelkist in de ouderlijke woning had opgediept en met namaakbloemen had opgefleurd triomfantelijk om zich heen.

Nauwelijks was de stoet in de conversatiezaal ontbonden of een groep jongens en meisjes die vermoedelijk van een balletschool afkomstig was, kwam tot grote hilariteit van de aanwezigen hossend en zingend binnenvallen. Met een paar varkensoren aan elastiekjes op hun hoofd baanden ze zich op roze sokken en gehuld in roze geverfde lakens waaruit een krulstaart stak een weg tussen de carnavalsgasten in de rolstoelen, die zij spontaan bij de handen grepen om hun beide armen op de maat van de harmonikamuziek heen en weer te zwaaien.

Toen ik vertrok en beneden de deur wilde openen, hoorde ik achter me zacht zingen, en omkijkend zag ik iemand in een wapperend roze laken met onwaarschijnlijk hoge sprongen door de verlaten gang dansen. Nooit heb ik begrepen waar hij zo gauw, en nog zo laat, vandaan was gekomen en nooit ben ik die raadselachtige verschijning in de stille gang vergeten, waar lang geleden armlastige wezen en bejaarden en ernstig zieke vrouwen hadden gelopen.