Voorschot op de toekomst

olgens een oude bittertafelwijsheid is Nederland een republiek met een koningin als staatshoofd, maar de republikein die zijn grondwet kent, weet dat die wijsheid politieke bakerpraat is die grondwettelijk geen been heeft om op te staan. De Nederlandse grondwet heeft een monarchale kern met een stevige verankering die in tijden van nood nog een dubbele beveiliging achter de hand heeft. Zelfs bij een uitputting van de erfelijke opvolgingslijn voorziet het systeem van de grondwet in een monarchale oplossing. Ook dan schrijft de grondwet immers een koningskeuze voor. ,,Indien bij overlijden van de Koning of bij afstand van het koningschap een opvolger ontbreekt, komen de kamers bijeen'' [...] ,,teneinde te besluiten omtrent de benoeming van een Koning'' (art. 30).

Mochten de Kamers volgens een postmodernistische interpretatie van de grondwet denken, dat ze bevoegd zijn ook niet te kiezen, dan stuiten ze op de grondwetsgeschiedenis, die er geen twijfel over laat bestaan dat een koningskeuze dwingend voorschrift is. De omstandigheden moeten er natuurlijk wel naar zijn. Als er geen geschikte kandidaten zijn (genoeg kandidaten voor de functie van staatshoofd, maar niet voor de functie van koning), komt de koningskeuze in een onvruchtbare impasse die uiteindelijk alleen met een niet-koninklijk alternatief kan worden beslecht.

Voor die eventualiteit ligt al een ontwerp-grondwet klaar, waarin alle tekortkomingen en tegenstrijdigheden van de oude grondwet radicaal zijn opgelost. Het is van de hand van de ambtenaar en constitutionele expert drs. M.H. Klijnsma, die in zijn `Schets van een nieuwe grondwet' (Gijsbert Karel van Hogendorp noemde de zijne 180 jaar geleden ook zo) een voorschot op de toekomst heeft genomen, waarin het koningschap niet meer voorkomt en de ceremoniële functies van staatshoofd worden uitgeoefend door een rechtstreeks gekozen, 4 leden tellende Raad van State. Klijnsma's grondwet is een republikeinse grondwet, maar men treft er geen sporen in aan van een bloedige revolutie of een koningsmoord. De koningin is zonder slag of stoot van het toneel verdwenen: zij heeft de tijdgeest goed aangevoeld en de eer aan zichzelf gehouden. Klijnsma gaat niet in op haar motieven, maar accepteert haar ontslagbrief zonder meer. Het ligt voor de hand dat hij geen enkele poging doet haar nog tot andere gedachten te brengen.

Misschien was dat wel de reden dat zijn `grondwet voor de Republiek der Nederlanden', die veruit de best uitgewerkte van alle inzendingen was, niet is genomineerd door de jury van de grondwetsprijsvraag, die de regering vorig jaar uitschreef ter gelegenheid van de viering 150 jaar Grondwet. Niettemin zouden politieke partijen er goed aan doen de systematiek van zijn ontwerp - dat meer innerlijke logica heeft dan de geldende grondwet van 1983 ± serieus te bestuderen. Klijnsma's grondwet is meer dan een intellectuele oefening voor constitutionele hobbyisten: het is een vitale bijdrage tot de hogere politieke bewustwording.

In Klijnsma's ontwerp voor een republikeinse grondwet pakt de koning niet zomaar zijn biezen. Er is zo te zien een oorzakelijk verband met een familiedrama, waarover hij slechts in het voorbijgaan in de Memorie van Toelichting de volgende discrete mededeling doet: De gewenste hervorming van het Nederlandse staatsbestel ,,kwam in een stroomversnelling als gevolg van het besluit van de Prins van Oranje af te zien van het koningschap en de daarop volgende abdicatie van de Koningin''.Daarop volgt de mededeling dat de Verenigde Vergadering van de Staten-Generaal, in afwijking van de opvolgingsregels (`gegeven deze uitzonderlijke situatie') een referendum uitschreef en de kiezers zich vervolgens voor de republikeinse staatsvorm uitspraken. De stroomversnelling is begonnen bij `de vermoedelijke troonopvolger', die zojuist afstand heeft gedaan van zijn recht op troonopvolging. Dat is niet zo onhistorisch als het op het eerste gezicht lijkt. In 1848 deed de toenmalige Prins van Oranje (de latere koning Willem III) een uiterste poging zich van zijn troonopvolgingsrecht te ontdoen. Hij wilde daarvoor zijn militaire functies en zelfs een deel van zijn grondwettelijk inkomen opgeven, maar de regering hield hem aan zijn roeping. Dat was een heel onverstandige beslissing, want Nederland kreeg als gevolg daarvan een koning, die pathologisch conservatief was en niet berekend voor zijn constitutionele taak.

Sommige vernieuwingen die Klijnsma voorstelt gaan nog verder terug. In zijn vormgeving van een radicaal-democratische vernieuwing klinken echo's van de `groote beginselen der Omwending van 1795'. De belangrijkste staatsorganen (Raad van State, minister-president, burgemeesters, rekenkamer, ombudsman en een nieuw orgaan, de constitutionele raad) worden rechtstreeks gekozen. De volksvertegenwoordiging telt voor de enkelvoudige wetgeving nog maar één Kamer (met plaatsvervangende leden) en heet Rijksdag. Sommige woorden worden radicaal uitgeroeid, zoals Staten-Generaal, maar er zijn ook woorden die na een afwezigheid van tweehonderd jaar terugkeren. Zoals een van de kernbegrippen uit de Bataafse Republiek: ,,Doel van de Republiek is het geluk van de burgers'' (Klijnsma, art. 2).

Hoe langer ik ernaar kijk, hoe groter het esthetische genoegen is dat het woord Republiek bij mij oproept. Met de Republiek die het recht tot vereniging erkent kan een mens zich gemakkelijker vereenzelvigen dan met een Staat die hetzelfde doet. Het woord Republiek is ontegenzeggelijk mooier dan het gedenatureerde woord Koninkrijk. En het roept gemakkelijker gevoelens van loyaliteit op.