Ultrarechts wil Clinton uitschakelen

De serieuze Amerikaanse pers heeft zich in de Lewinsky-affaire niet alleen laten leiden door laag-bij-de-grondse sentimenten, maar is ook blind geweest voor de rol van het omvangrijke netwerk van ultrarechtse Clinton-haters, meent A. Spoor. Organisaties uit het zuiden van de Verenigde Staten hebben vaak openlijk tegen de president gecomplotteerd en lijken pas een eind aan hun intriges te willen maken als zij de president voorgoed hebben uitgeschakeld.

Wie zijn verantwoordelijk voor het gênante spektakel in de Amerikaanse Senaat, waar een van het begin af aan uitzichtsloos proces tot afzetting van een van de populairste presidenten van de eeuw plaatsvindt? Clinton zelf doordat hij niet van een wat opdringerige stagiaire wist af te blijven en, zoals J.L. Heldring dat formuleerde, `vieze spelletjes' met haar speelde in of vlakbij de Oval Office en er daarna, ook onder ede, niet eerlijk voor uitkwam? Of de rechtse, moralistische en vaak hypocriete vleugel van de Republikeinse partij die met scherpslijperij en intimidatie zijn partijgenoten tot steun voor zogenaamd grondwettelijk acties tegen Clinton wist mee te sleuren? Beide zijn zeker niet zonder blaam. Maar een grote en verre van fraaie rol speelde daarnaast de pers, en in het bijzonder de `serieuze' pers.

Op 8 maart 1992 verscheen een lang artikel van een investigative reporter van The New York Times, Jeff Gerth, over het mislukte onroerendgoedproject in Arkansas dat als Whitewater de geschiedenis is ingegaan. Het was een moeilijk te begrijpen stuk dat leek te suggereren dat Bill en Hillary Clinton, die geld in het project hadden gestopt, gesjoemeld hadden. De halve Amerikaanse pers vloog daarna naar Little Rock en stortte zich op de story. Maar ondanks de jarenlange publiciteit, het graafwerk van afgevaardigden van het Huis en een panel van de Senaat, en vier jaar uitvoerig in de media verslagen microscopisch onderzoek door de speciale aanklager Kenneth Starr, kon niets belastends voor de Clintons worden gevonden.

Als een geschenk uit de hemel viel daarna het door de Washington Post wereldkundig gemaakte overspelig gefoezel van Clinton met de Witte Huis-stagiaire Monica Lewinsky in de schoot van Starr en de pers. Kranten, weekbladen en televisiestations brachten vervolgens bijna dagelijks sappige verhalen over de details van de `vieze spelletjes`. Het wereldnieuws werd op de achtergrond gedrongen. Alles wat Clinton deed werd in verband gebracht met Monicagate. De commentaren ronkten intussen van de morele verontwaardiging. Tientallen kranten eisten het aftreden van Clinton. Zelfs The New York Times en The Washington Post schreven vierkant dat de president meineed had gepleegd en de rechtsgang had belemmerd, ook al was er nog geen proces over de zaak gevoerd, laat staan dat Clinton schuldig was bevonden. Andere geluiden bleven beperkt tot columnisten als Anthony Lewis, William Pfaff en de columnist van The New York Daily News, Lars-Erik Nelson.

Maar ernstiger dan wat de pers bracht, was dat zij verzuimde te rapporteren wat er werkelijk aan de hand was. Toen Hillary Clinton een jaar geleden zei dat `de echte story bestond uit de uitgebreide rechtse samenzwering' die al sinds jaar en dag tegen haar man aan de gang was, werd dit door de media weggewoven. Men zou denken dat de Amerkaanse pers, die in grote getale op Little Rock was neergedaald na Gerths eerste suggestieve stuk vol onbewezen verdachtmakingen over Whitewater, haar aandacht vervolgens zou richten op het netwerk van ultrarechtse, meestal christelijke, veelal zuidelijke figuren en organisaties dat achter de schermen, maar vaak ook openlijk tegen Clinton complotteerde. Maar waarschijnlijk door het Watergatesyndroom ± dat bijna elke Amerikaanse verslaggever in zijn ransel draagt en dat inhoudt dat men onthullingen wil doen waarbij hooggeplaatsten, bij voorkeur presidenten, ten val worden gebracht ± bleef de onderzoeksjournalistiek blind voor de story die voor haar neus lag, maar die sympathie zou kunnen wekken voor de bewoner van het Witte Huis.

Het was in elk geval niet moeilijk geweest om in Arkansas de Clinton-haters op te sporen. Dit is wel bewezen is door het Britse weekblad The Observer dat op 2 augustus 1998 een uitvoerig artikel publiceerde over deze machten en krachten onder de titel Good ol' boys conspire to bring down Slick Willie. Deze `machten' werden beschreven als de overlevenden en de geestelijke afstammelingen van de kringen die in 1957 de door Eisenhower afgedwongen toelating van negen zwarte leerlingen tot de Little Rocks High School met geweld probeerden tegen te houden.

Tegen Clinton, de voormalige assistent van de ook al zo gehate senator Fullbright, begonnen zij reeds te ageren toen deze nog gouverneur was in Arkansas. Zo produceerde in 1990 de woordvoerder van Clintons tegenkandidaat voor het gouverneurschap Nelson, Larry Nichols, de video The Clinton Chronicles, waarin vijf buitenechtelijke vriendinnen van Clinton werden opgesomd (van wie er twee zwart waren) en de gouverneur van cocaïneverslaving, drugssmokkel en moord werd beschuldigd. Nelson had allerlei banden met bovengenoemde kringen, die overigens niet alleen in Arkansas opereerden. Sinds de Republikeinse partij in de houdgreep is geraakt van een radicale, ultraconservatieve, primair zuidelijke vleugel, is zij het centrale politieke voertuig van alle extreemrechtse bewegingen die Clinton haten als de verpersoonlijking van progressieve, `negerlievende', vaderlandsloze gezellen.

Maar de Republikeinse partij is niet de enige organisatie van deze anti-Clinton-activisten. Zij zijn ook te vinden in stichtingen en clubs als de Council of Conservative Citizens (een racistische groepering die zich zorgen maakt over de toekomst van blank Amerika, waarvoor een van de aanklagers uit het Huis van Afgevaardigde, Robert Barr uit Georgia, als spreker optreedt), de The Federalist Society, waartoe ook de advocaten behoren die de Paula Jones-zaak warm hebben gehouden (en onder andere Starr met Linda Tripp in contact hebben gebracht), Citizens United uit Arkansas van Floyd Brown (die een boek uitbracht Why America can't trust Bill Clinton) en The Arkansas Project van Reagans vroegere onderminister van Justitie Ted Olson, dat voor een groot deel gefinancierd wordt door multimiljonair Richard Mellon Scaife uit Pittsburgh. Scaife, erfgenaam van een deel van het immense Mellonfortuin, is een belangrijke financier van allerlei extreemrechtse groeperingen die achter de schermen praktisch allemaal een rol spelen bij de `schandalen' van de Clintons: Whitewater, Travelgate (het ontslag van de employé's van het reisbureau van het Witte Huis), Paula Jones, Monica Lewinsky. Ook hebben zij vaak connecties met de `onafhankelijke' aanklager Kenneth Starr. (Olson was vroeger partner van Starr in een advocatenkantoor.)

De enige groepering waarvoor de Amerikaanse pers enige belangstelling heeft opgebracht is het Rutherford Institute uit Charlottesville in Virginia. Dit is een stichting van de excentrieke advocaat John Whitehead, die zich van een extreemlinkse radicaal tot een zeer rechtse christen heeft ontwikkeld en aanvankelijk samen met een team van gelijkgezinde collega's uitsluitend zaken aanspande ten bate van mensen wier vrijheid van godsdienst zou zijn bedreigd of belemmerd. Nationale bekendheid kregen Whitehead en zijn instituut pas toen zij als financier en advocaat van Paula Jones gingen optreden in haar overigens afgewezen civiele klacht dat zij door Clinton tijdens zijn gouverneurschap seksueel zou zijn lastig gevallen en daardoor in haar carrière schade zou hebben geleden. Uit deze zaak is het hele Lewinsky-drama voortgesproten.

CNN, NBC, The Washington Post en de The Washington Times besteedden aandacht aan de 52-jarige Whitehead, voor wie popmusici als de Beatles in rangorde vlak onder Jezus staan. Zij stelden vast dat naast de religieuze processen het Rutherford Institute ook steun verleent aan en optreedt namens het voormalig lid van de nazi-partij Ralph Forbes die als promotor van het `blanke ras' slachtoffer zou zijn van politieke discriminatie. Ook gaf het instituut aanvankelijk rechtsbijstand aan Paul Hill, die een arts en diens bodyguard in een abortuskliniek vermoordde. Verdedigingslijn daarbij was dat Hill handelde op basis van zijn religieuze overtuiging.

Al deze genoemde groepen ± een fractie van wat Amerika op dit punt te bieden heeft ± wroeten niet alleen in het verborgene. Zij hebben ook hun publiciteitskanalen, zoals The Washington Times, eigendom van de Koreaanse sekteleider Moon. De hoofdredacteur van deze krant, Wesley Pruden junior, is de zoon van een prominente racistische predikant uit Arkansas die luidruchtig ageerde tegen het toelaten van zwarte leerlingen op Little Rock High School in 1957. Bij de weekbladen beschikken ze over het intelligent geredigeerde The American Spectator. Maar dat er gesproken kan worden van een beweging met vele miljoenen aanhangers komt vooral door de tientallen televisie- en radiostations waarop evangelisten als Pat Robertson, Jerry Falwell en Rush Limbaugh te horen zijn.

Limbaugh is in het zuiden en in de Bible Belt een van de meest beluisterde en invloedrijke radioagitatoren. Als Limbaugh zich tegen hen keert weten Republikeinse politici dat hun laatste politieke uur geslagen heeft. In zijn radiopraatjes raast en tiert hij tegen van alles wat hem niet bevalt (zoals feminisme, abortus, homoseksualiteit), en bedrijft hij aan de lopende band karaktermoord op lieden die hij haat. Zoals Clinton, die hij ook van moord heeft beschuldigd (op Clintons vriend Vincent Foster die een rol in Whitewater speelde en zelfmoord pleegde) en natuurlijk van handel in drugs, druggebruik, hoerenloperij, machtsmisbruik, diefstal, enzovoort.

De eerste twee verspreidden in 1991 de al genoemde video The Clinton Chronicles, waarbij de diepe stem van oud-opperrechter Jim Johnson de commentaren sprak. Johnson is een van de sleutelfiguren in het anti-Clintonkamp en allang actief in ultrarechtse en racistische organisaties. In de jaren vijftig noemde hij rassenintegratie op school ongrondwettig en riep hij op tot gewelddadige actie daartegen. Hij noemde Clinton in 1993 op een Conservative Political Action Conference in Washington een vriendje van homo's, een hoerenlopende echtbreker, een babymoordenaar, een ontduiker van de dienstplicht, een gedoger van drugs en een leugenachtige verraderlijke activist met twee gezichten. In een interview met The Observer zegt hij in contact te staan met Kenneth Starr en ,,akkoord te zijn gegaan met die seksuele zaak omdat ik hoopte dat die de aandacht van het volk zou trekken in een land dat blind is voor de andere misdaden''. Maar hij is ervan overtuigd dat Starr 40 of 50 serieuze aanklachten achter de hand heeft. Zoals over Clintons `smokkelen van verdovende middelen op Mena Airport in Arkansas', waarbij handlangers met illegale diplomatieke immuniteit het werk doen. Johnson maakt er in het interview geen geheim van dat hij als een spin in het web zit dat Clinton poogt te elimineren.

In algemene termen behandelen de commentaren in de Amerikaanse en internationale pers wel het culturele schisma binnen de Amerikaanse samenleving en de haat van rechts tegen wat gezien wordt als de erfenis van de jaren zestig. Maar het spit- en graafwerk waarmee de Amerikaanse pers in de jaren zeventig in het Watergateschandaal feiten boven water tilde en roem vergaarde, heeft zich in het huidige schandaal beperkt tot het ondergoed van Monica Lewinsky. Eind vorig jaar was ik in de Verenigde Staten en meer dan een Amerikaanse collega zei mij beschaamd : ,,Als je wilt weten wat op de achtergrond van dit drama speelt lees dan The Observer''.

Drs. A. Spoor is oud-redacteur van NRC Handelsblad.