THE ECONOMIST

Binnen enkele decennia zal de financiële wereld verdeeld zijn in een dollar- en een eurozone. De opkomende markten zullen voor een deel kiezen voor zwevende wisselkoersen. De rest zal zich aansluiten bij een van beide zones. Polen, Hongarije, Tsjechië en andere opkomende landen staan nu al in de rij om zich aan te sluiten bij de euro. Hoewel er sprake van was dat de Latijns-Amerikaanse landen streven naar een munteenheid naar analogie van de euro is het waarschijnlijker dat ze zich zullen aansluiten bij de dollar.

The Economist schrijft in een special over de toekomst van 's werelds financiën dat de yen onmiskenbaar de leidende munteenheid is in Azië, maar dat het ontstaan van een yenzone er niet in zit. Dat komt omdat Japans verstikkende regelgeving de groei van de markt in obligaties en financiële derivaten belemmert, zodat het voor de Aziatische buren niet loont om zaken te doen in yens. Maar er is ook een politieke reden voor het uitblijven van een yenzone. Want toen de Japanners anderhalf jaar geleden het initiatief namen tot een Aziatisch Monetair Fonds, de mogelijke voorloper van een Aziatische munteenheid, waren de Amerikanen er als de kippen bij om daar een stokje voor te steken, gesteund door een aantal Aziatische landen die meer vertrouwen hebben in de Amerikanen dan in de bureaucraten in Tokio.

Het blad geeft een overzicht van de stand van zaken, noemt de voor- en nadelen van de werking van de vrije markt en van regulering, gaat alle plannen en voorstellen na die in de economische en financiële wereld de ronde doen en hekelt de vele vormen van langdurig overleg, te weten dat van de G-7, zeven geïndustrialiseerde landen, de G-22, een groep vertegenwoordigers van geïndustrialiseerde en opkomende economieën, de G-10, een groep van centralebankdirecteuren en ministers van Financiën, verbonden met de in Bazel gevestigde commissie voor toezicht op het bankwezen, en het Internationaal Monetair Fonds.

In ieder geval staat het vast dat het financiële systeem veiliger moet worden door de opkomende markten er toe te bewegen hun economische handel en wandel te verbeteren en door de beleggers er toe te brengen om verstandiger te werk te gaan. Maar hoe? Zeker is dat de beleggers over meer en vooral betere informatie moeten kunnen beschikken, met name over de buitenlandse reserves van landen waar ze willen beleggen. Het probleem is alleen dat degenen die roepen om meer informatie zelf niet zo scheutig zijn met het geven er van. Van de G-7 publiceert alleen Groot-Brittannië regelmatig cijfers over de eigen buitenlandse reserves.

Een goede mogelijkheid tot controle is dat de centrale banken aan buitenlandse banken de verplichting opleggen dat ze onder toezicht staan van hun eigen centrale bank. Ook zouden de centrale banken het toezicht op de banken in eigen land moeten verscherpen. Tenslotte waren het de internationale banken die Azië extreem veel geld leenden voor de korte termijn. Eind 1997 was van de 380 miljard dollar aan leningen in Azië zestig procent niet ouder dan een jaar.

Daarom is het volgens het blad nodig de Bazel-akkoorden over toezicht op het bankwezen te herzien. Ook zouden internationale instellingen als bijvoorbeeld de Wereldbank iets kunnen opsteken van de manier waarop Argentinië zijn problemen heeft opgelost in samenwerking met particuliere banken. Verder moet het Internationaal Monetair Fonds zich beperken tot de rol van bemiddeling in de onderhandelingen tussen crediteuren en debiteuren. Want het IMF kan niet optreden als een soort centrale bank voor de hele wereld, omdat het niet de middelen heeft om financiële paniek op wereldschaal te bezweren.

The Economist is verkrijgbaar in de kiosk. www.economist.com