Sjostakovitsj' gave voor gebruiksmuziek

Concert: Koninklijk Concertgebouw Orkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Ronald Brautigam (piano) en Peter Masseurs (trompet). Werken van Sjostakovitsj en Rachmaninov. Gehoord: 29/1 Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 7/2 (14u).

Hoewel de geboortedata van Sjostakovitsj en Rachmaninov maar een generatie uiteen liggen, gaapt er tussen beider oeuvre een veel groter stilistisch gat. Sjostakovitsj baande nieuwe wegen, Rachmaninov beging de wegen van zijn laatromantische voorgangers en ontleent zijn plaats in de muziekgeschiedenis vooral aan de kundigheid en de genietbaarheid van zijn muziek. Behalve het Tweede en Derde Pianoconcert schreef Rachmaninov, zelf een succesvol concertpianist, ook drie symfonieën die de populariteit van de concerten echter nooit hebben benaderd. Want hoewel hij vormtechnisch vaardiger werd geconcipieerd, bleek de Tweede Symfonie (1906-07), vrijdagavond eenmalig uitgevoerd door het Concertgebouworkest onder Riccardo Chailly, wars van de directe aansprekendheid die de pianoconcerten kenmerken.

Met onvermoeibare energie en aandacht bewees Chailly dat deze symfonie zelfs in de meest zorgvuldige vertolking nauwelijks intrigeert. Hij benadrukte de vorm en zette aan tot heldere tweespraken tussen de bespiegelende en uitbundige passages. Maar een uitvoerder blijft een herschepper, en zelfs de meest welwillende handen kunnen een middelmatige compositie niet verheffen tot kwaliteiten die de partituur ontbeert.

Oppervlakkigheid in het muzikaal gedachtegoed is ook Sjostakovitsj' Eerste concert voor piano, trompet en strijkorkest (1936) wel verweten. Desondanks oogstte het bij de première meteen succes, wat zeker samenhangt met het geestige en diverse karakter van dit concert. De aardigheid schuilt in het feest der herkenning: Sjostakovitsj laat de muziek steeds een andere gedaante aannemen, maar behoudt ook onder het masker van Chopin, Beethoven, Haydn of een balorige kermisklant onmiskenbaar zijn eigen gezicht.

Pianist Ronald Brautigam speelde de dansante motiefjes waarmee hij in het Allegretto het meer zwaarmoedige thema van repliek dient met een tintelend gemak ± ongetwijfeld heel anders dan de naar verluidt droge en lelijke manier waarop Sjostakovitsj zijn werk zelf uitvoerde. Hij vond in trompettist Peter Masseurs een waardig co-solist, die de vaak becommentariërende rol van zijn solopartij bracht in vloeiende lijnen en kaatsend virtuoze loopjes.

De Suite van filmmuziek bij Hamlet (1963-64) toonde Sjostakovitsj' gave voor het componeren van `gebruiksmuziek'. Chailly verleende elk van de vier geselecteerde aforistische meesterstukjes de pretentieloosheid die deze bijzonder illustratieve muziek vereist, waarna Rachmaninovs symfonie verbleekte tot een al te breedsprakige echo van muziek uit een ver verleden.