Omroepconcessie

AAN OPWINDING geen gebrek in politiek Den Haag. De kroonprins in of uit het IOC? Kaasschaaf of kaasblokjes voor de krijgsmacht? En altijd is daar het WAO-spook. Daarmee contrasteert een onderwerp dat deze week staat geagendeerd voor overleg in de Tweede Kamer, het publieke omroepbestel. Decennialang domineerde het de politieke agenda's. Nu heeft staatssecretaris Van der Ploeg (Mediazaken) bijna onopgemerkt een brief laten uitgaan met zijn beleidsvoornemens voor het concessiestelsel dat vanaf het jaar 2000 voor Hilversum moet gelden.

De hoofdlijnen stonden vorig jaar al in het regeerakkoord: één enkele concessie voor de hele publieke omroep met een looptijd van tien jaar en na vijf jaar een eerste beoordeling van de deelnemende omroepverenigingen. Het probleem blijft de ,,combinatie van twee identiteiten'', zoals de Raad van State het heeft genoemd. Hoe kunnen de omroepverenigingen zichzelf profileren in de professionele nieuwe structuur die wordt beoogd met de enkelvoudige concessie?

Het eenvoudigste en voor alle partijen waarschijnlijk het beste antwoord zou een megafusie zijn, die de rijke traditie van verscheidenheid combineert met de vereisten van een moderne publieke omroep. Maar dat is ook voor het tweede paarse kabinet nog een station te ver. Dus houden we voorlopig het gekrakeel over zenderkleuring, over ledentallen en omroepbladen en blijft een wijze zelfbeperking tot twee televisienetten onbespreekbaar. Al ligt dat laatste internationaal gezien (België, Groot-Brittannië) voor de hand.

HILVERSUM WORDT niet moe er op te wijzen dat de Nederlander best tevreden is met drie publieke zenders. Hun marktaandeel heeft zich na een aanvankelijke val na de inbraak van de commerciële concurrentie in het bestel ook aardig gestabiliseerd. Deze onmiskenbare waardering ± of is het gewoonte? ± moet echter niet worden verward met authentieke betrokkenheid van het publiek bij de institutionele besognes van de huidige zendgemachtigden. Het zijn steeds meer de programma's en niet de omroepverenigingen die het hem doen.

De oplossing van Van der Ploeg voor dit dilemma roept nieuwe vragen op. Hij wil de maatschappelijke en culturele taak van de omroep-nieuwe-stijl indringender omschrijven bij wet. Dat verhoogt de invloed van de overheid op de vrije ether.

De invloed van de overheid dreigt alleen maar te worden versterkt door het kabinetsplan om de omroepbijdrage te fiscaliseren. Het is puur een kwestie van doelmatige inning, verzekert Van der Ploeg. Maar zo onschuldig ligt het niet. De omroepbijdrage ligt in de Europese Unie onder vuur als een vorm van concurrentievervalsing tegenover de commerciële omroep. Burgers kunnen bovendien met steeds meer reden betogen dat zij de publieke omroep helemaal niet nodig hebben gezien het alternatieve aanbod dat voorhanden is.

Tot dusver verdedigen de nationale regeringen hun publieke bestel succesvol met een beroep op het publieke belang dat dit dient. Daarmee nodigen zij de Europese instelling uit er op aan te dringen dat de consequenties van de publieke taak dan ook voor rekening van de publieke kas komen. De vraag hoeveel men er concreet voor over heeft vormt immers bij uitstek een zaak van politieke afweging door de begrotingswetgever.

WAT BEGINT ALS doelmatige inning wordt als vanzelf een jaarlijkse beoordelingsronde. Zeker als het gericht afrekenen in de media doorzet (pay per view). Gaat de consument voortaan alleen betalen voor de programma's waar hij wel naar kijkt, zo noteerde Van der Ploegs voorganger Nuis eerlijk, dan is de huidige rekening veel te hoog.

Het regeerakkoord voorziet ook nog in een verscherpte controle van de concessievoorwaarden door het Commissariaat voor de Media. Dit orgaan is in het leven geroepen onder het motto ,,overheid op afstand''. Maar de huidige voorzitter, H. Koetje, maakt er geen geheim van dat hij een rol als arbiter morum ambieert. Zeker, Van der Ploeg heeft zojuist het systeem van partijbenoemingen in het Commissariaat doorbroken. Voor een werkelijk onafhankelijk omroepbestel is echter méér nodig.