Oder

Het was een smeltpot, deze stad rond de eeuwwisseling. De uniformen beheersten de straten ± en hoe graag stuurden de Berlijners in 1914 hun zonen de oorlog in, zeker van de overwinning waarmee hun keizer en hun stad de top van Europa zouden bereiken. Er groeide daartegenover, en daarnaast, een sterke socialistische beweging. Er leefden liberale, breed opgeleide `grootburgers' naast angstige `kleinburgers' die vol afgunst en haat de rijke joden door de stad zagen rijden. En aan de universiteiten werd een gedachtegoed ontwikkeld dat aan dat chauvinisme een wetenschappelijke legitimiteit gaf, theorieën over parasitaire joden en Germaanse `Lichtmensen', over de verdorven stad en de reine Germaanse bodem.

Er ontwikkelde zich een nieuwe rage. Onder het motto `Los von Berlin' marcheerden groepen jongeren ieder weekeinde de natuur in. De voorman van deze Wandervögel, Karl Fischer, liet zich begroeten met een schuin geheven arm en de kreet `Heil!'. Een geliefd uitstapje vormde de Oder. Wie op de Oderdijk stond, zo werd verkondigd, stond precies in het midden van het Duitse Rijk, 800 kilometer van Aken, 800 kilometer van Königsberg.

Als ik nu naar het middelpunt van het Rijk wil neem ik de boemeltrein naar Küstrin, een ronkende diesellocomotief met drie slaperige wagons. Na een klein uur zijn we er. Ik sta op de dijk van de Oder. Het waait en de lantarenpalen fluiten in de ijzige wind. Ik zie de verlaten Karl Marxstrasse van het dorp Küstrin en een eenzame man die gebraden haantjes probeert te verkopen. Ik zie de douanepost van de Polen. Berlijn is een grensstad geworden.