Nee dank u

De Economische en Monetaire Unie is ook voor de vakbeweging van belang: Duitse en Nederlandse bonden werken steeds meer samen. Maar toch wordt er in Duitsland deze week gestaakt en in Nederland niet. Het poldermodel gaat in hun land niet op, vinden de Duitse vakbondsvertegenwoordigers. En met alle respect, de cijfers tonen aan dat de Nederlandse collega's zich jarenlang hebben laten inpakken.

Het financiële en economische Europa verenigt zich volgens de richtlijnen van `Maastricht' in de Economische en Monetaire Unie met haar euro. Vraagt dat ook niet meer samenwerking, coördinatie en eenheid van Europa's vakbonden? Al was het alleen maar om niet uit elkaar te worden gespeeld door steeds Europeser opererende werkgevers, en om geen slachtoffer te worden van intra-Europese concurrentie op lonen en arbeidsvoorwaarden?

Deze vragen stellen in de voornaamste bolwerken van het Duitse vakbondswezen ± het hoofdkantoor van 's werelds grootste metaalarbeidersbond, IG Metall in Frankfurt, en de Düsseldorfse zetel van de overkoepelende Deutsche Gewerkschaftsbund (DGB) ± is ze beantwoorden. ,,Vanzelfsprekend'', zegt Helmut Schauer, IG Metall's hoofdbestuurder en verantwoordelijk voor het CAO-beleid.

,,Afgelopen december ontwikkelden afgevaardigden van metaalbonden uit 21 Europese landen hier in Frankfurt nog een gemeenschappelijke formule om de ruimte voor loononderhandelingen te berekenen. Voor deze leden van de Europese Metaalwerkers Federatie (EMF) geldt voortaan dat zij hun looneisen vaststellen op basis van inflatie plus een evenwichtig deel van de productiviteitsstijging.''

Nu al sturen Duitse (Noordrijn-Westfalen), Nederlandse en Belgische metaalbonden waarnemers naar elkaars loononderhandelingen. En in 2000 willen ze een poging doen parallel te onderhandelen over lonen en arbeidsvoorwaarden. Nog een opvallende resolutie van het recente EMF-beraad in Frankfurt: ,,De opbouw van een gemeenschappelijke Europese loon- en arbeidsvoorwaardenpolitiek maakt het noodzakelijk dat vakbonden grensoverschrijdende acties, manifestaties en strategieën kunnen ontwikkelen.''

Dit vertoon van euromanie in vakbondsland leidde vorige week in de Nederlandse pers zelfs tot speculatie over een mogelijke fusie tussen het grote Duitse IG Metall, de FNV-Bondgenoten en enkele Belgische bonden. ,,Ik weet dat Harald Schartau, onze chef in de regio Noordrijn-Westfalen, met die gedachte heeft gespeeld'', zegt Helmut Schauer zuinig. ,,Maar in Frankfurt willen wij zover niet gaan. Waar het wel om gaat is meer samenwerking en coördinatie, vooral op de regionale niveaus.''

Ook chef-econoom Gilbert Marchlewitz van de overkoepelende Deutsche Gewerkschaftsbund in Düsseldorf noemt grensoverschrijdende fusies in Europees vakbondsland `vooralsnog vergezocht'. ,,Wat bij de Europese vakbonden de komende twee tot drie jaar vooropstaat is coöperatie. En die groeit als kool. Afgelopen september hadden we bij jullie in Doorn nog een conferentie van Duitse en Benelux-arbeidsvoor- waardenonderhandelaars die baanbrekend mag worden genoemd. Wij waren het er over eens dat het aandeel van de loontrekkers in het nationale inkomen, de zogenaamde loonquote, in de jaren negentig is gedaald en dat voortzetting van die tendens maatschappelijk en economisch niet is te rechtvaardigen.''

Volgens Marchlewitz heeft in september in Bad Münder bij Frankfurt een vervolgconferentie plaats waaraan hopelijk ook Fransen zullen deelnemen. Hij ziet nog tal van andere prikkels voor verdergaande samenwerking tussen Europese vakbonden. Zoals de actieve deelname van Europa's sociale partners aan de uitwerking van het werkgelegenheidsprogramma van de Europese Commissie; en de halfjaarlijkse bijeenkomsten die Wim Duisenberg als president van de Europese Centrale Bank organiseert met dezelfde sociale partners.

,,Vooral dat laatste is een grote stimulans voor onze samenwerking'', oordeelt vakbondseconoom Marchlewitz. ,,Het geeft ons op macroniveau meer invloed op de Europese beleidsvorming. Het is voor mij ook een aanwijzing dat het Europese vakbondswezen en het arbeidsvoorwaardenbeleid belangrijker zijn geworden sinds het monetaire beleid is verhuisd van de nationale hoofdsteden naar de Europese Centrale Bank (ECB) in Frankfurt en het nationale begrotingsbeleid door Brussel aan banden is gelegd. Stel je voor: toen de Bundesbank het bij ons nog voor het zeggen had, bleef haar chef Tietmeyer voor ons onbereikbaar. Nu krijgen we Herr Tietmeyer via de ECB wél te spreken.''

DGB's chef-econoom wijst er verder met enthousiasme op dat Europa's sociaal-economische eenwording ook steeds meer vorm krijgt in de nationale wet- en regelgeving. Die wordt immers steeds meer afgestemd op de Europese wet- en regelgeving. Onlangs verordonneerde de Belgische overheid zelfs dat de loonstijging ingeval van vastgelopen overleg tussen Belgische werknemers en werkgevers maximaal mag uitkomen op het gemiddelde van de loonstijgingen in Frankrijk, Duitsland en Nederland. En in Duitsland geldt nu een wet die werken op zaterdag en zondag tolereert als dat in dezelfde sectoren in omringende landen ook het geval zou zijn.

Grensoverschrijdende Europese vakbondsfusies mogen dan voorlopig niet voor de hand liggen, is er wél uitzicht op Europese CAO's? Jürgen Eckl, chef internationale zaken van de Deutsche Gewerkschafsbund, kijkt bedenkelijk en zegt: ,,Eerder dan euro-CAO's voorzie ik arbeidsovereenkomsten met zowel nationale als Europese componenten. Dat is hier eigenlijk al een feit met de bouw-

CAO's die wij hebben afgesproken met bonden uit Portugal, gezien het grote aantal Portugese bouwvakkers in Duitsland.''

Ook voorspelt Eckl steeds meer regionale CAO-coördinatie zoals tussen Noordrijn-Westfalen en de Benelux of tussen Beieren en Oostenrijk. ,,Dat zijn nu eenmaal regio's met vergelijkbare economische en sociale omstandigheden.''

Feit blijft dat er ondanks alle samenwerkingsplannen tussen de Europese bonden nog heel wat valt te coördineren. Neem de IG Metall die voor dit jaar een looneis van maximaal 6,5 procent stelt en daarvoor deze week is gaan staken, terwijl de Hollandse neef FNV het op maximaal 3,5 procent houdt.

Helmut Schauer spreekt eerst op verzoenende toon over `culturele verschillen'. ,,In Holland zien de partijen elkaar meer als partners en zijn ze meer op consensus gericht. In een groter land als Duitsland met grotere regionale verschillen blijkt dat in mindere mate mogelijk en moeten wij vaak tegenstellingen uitvechten. Vergeet niet dat ook de Duitse werkgevers zich harder plegen op te stellen en minder soepel zijn dan hun Nederlandse collega's.''

Tegelijk ziet Schauer dit keer een harde cijfermatige reden om de spieren op het punt van looneisen te ballen en zelfs met harde stakingen te dreigen. ,,De cijfers van Eurostat en van de Europese Commissie tonen glashard aan dat de loonquote, ofwel het aandeel van de lonen in de nationale koek, de laatste jaren gestaag is gedaald ten opzichte van de inkomens uit vermogen en ondernemerschap.''

Dat geldt volgens Schauer voor Duitsland, dat zijn loonquote zag dalen van 71,6 procent in de jaren tachtig naar 67,7 procent in de jaren negentig. En dat geldt nog meer voor Nederland, dat volgens IG Metall's opgave nu een loonquote van 65,8 procent heeft, de laagste van Europa. Cijfers die niet zeer afwijken van die van het Nederlandse CBS. Dat komt onder verwijzing naar de `Nationale Rekeningen 1997' uit op een zelfs nóg wat lagere Nederlandse loonquote in 1997 van 64,7 procent.

Maakt de in loonmatiging bedreven Nederlandse vakbeweging zich daarmee op Europees niveau niet schuldig aan loonconcurrentie? ,,Ach, wat in Holland gebeurt hoeft ons niet direct te beangstigen'', zegt IG Metall's Schauer met gevoel voor understatement. ,,Holland bedrijft als een klein land een soort niche-politiek.''

Marchlewitz van de DGB oordeelt: ,,Statistisch bekeken zou je de Nederlanders met hun langdurige loonmatiging van loonconcurrentie kunnen betichten. Dat had door de binding van de gulden aan de mark voor ons feitelijk het effect van een Nederlandse devaluatie. Maar de motivatie voor de Hollandse loonbeheersing is natuurlijk belangrijk en die ken ik niet. De Denen lieten destijds in officiële verklaringen weten dat Deense lonen voortaan enkele procenten onder de Duitse en Zweedse lonen dienden te blijven. Dat was wél expliciete loonconcurrentie.''

Kunnen de Duitse bonden wat van Hollands poldermodel opsteken? ,,Wij hebben het Hollandse model nauwkeurig bestudeerd, wij kennen en herkennen het'', zegt Jürgen Eckl van de DGB. ,,Structureel zijn belangrijke elementen van dat model ook bij ons aanwezig. Zonder die elementen zouden we de Duitse hereniging nooit zo soepel hebben volbracht.

,,Er steekt voor ons ook een gevaar in het Hollandse model, namelijk dat het in de Duitse politieke arena verwordt tot een strijdleuze, een wapen in conservatieve handen. Bovendien behoort bij het Hollandse model een bepaalde houding van de werkgevers, een flexibiliteit die wij hier missen.''

Gilbert Marchlewitz van dezelfde DGB knoopt daaraan vast: ,,De loonmatiging in Holland werkte, niet omdat de Hollandse lonen te hoog waren maar omdat die matiging comparatief voordeel ten opzichte van de grote buurman opleverde. Ik denk dat juist dit één van de grote krachten van jullie poldermodel is. Het floreert vooral ook door het hogere Duitse loonniveau.''

Maar Duitsland kan zijn lonen toch ook matigen? ,,Als wij dezelfde loonmatiging als jullie zouden toepassen, zouden we niet zo'n comparatief voordeel kunnen behalen omdat Duitsland nu eenmaal de grootste economie is in een Europees blok dat qua in- en uitvoer voor tweederde zelfvoorzienend is.''

Deze opvatting draagt niet echt bij aan een voorzichtige opstelling van Duitse vakbondsleiders bij lopend loonoverleg. Hun noeste overtuiging dat vraaguitval, onderbenutte productiecapaciteit en deflatie nu de voornaamste gevaren zijn die ons allen bedreigen, noopt evenmin tot terughoudendheid. Integendeel. ,,Wat nu bovenal nodig is, is het prikkelen van de vraag'', zegt chef-econoom Marchlewitz van de centrale Deutsche Gewerkschaftsbund. ,,Meer vraag betekent meer investeringen en meer werk.'' De `polderdoctrine', die uitgaat van `loonbeheersing = meer winst = meer investeringen = meer werk', verwerpt hij. ,,Als wij nu de winst benadrukken ten koste van de lonen krijgen we nog meer vraaguitval. Bovendien is er al kapitaal in overvloed, maar het wordt door te weinig vraag alleen onvoldoende geïnvesteerd.''

Een argument als van de Parijse OESO, dat de Duitse werkloosheid van meer dan 10 procent niet zozeer wordt veroorzaakt door vraaggebrek alswel door de rigide arbeidsmarkten, slaat evenmin aan. ,,Als je de flexibilisering en deregulering van de laatste tijd bij ons overziet, vraag je je af waar ze in Parijs over praten'', verzucht Helmut Schauer van IG Metall in Frankfurt.

,,Wij zijn altijd flexibel geweest'', bezweert Jürgen Eckl van de DGB in Düsseldorf. ,,In heel Duitsland bestaan niet minder dan 40.000 CAO's. Over flexibiliteit gesproken. Een andere zaak is dat werkgevers vaak niet in staat blijken met ons gemaakte afspraken over flexibilisering na te komen.''

Daar komt volgens Eckl bij dat er ook grenzen zijn aan het flexibiliseren van werk en werknemers. ,,Er is ook nog zoiets als menselijke waardigheid.''

Zowel in Duitse als Nederlandse vakbondskringen mag de laatste tijd met enthousiasme worden gesproken over groeiende samenwerking en coördinatie. Dat geldt dan met name het organisatorische vlak. Ideologisch lijkt er nog een forse kloof te overbruggen.

    • Ferry Versteeg