Misselijk van wierook

Een onderdeel van het misdienen dat wel eens problemen opleverde was het wierookvat. Dit vat hing aan een standaard naast het tafeltje met de ampullen. Het bestond uit een rijk met krullen en tierelantijnen versierde koperen kom voorzien van een deksel, die hing aan vier kettingen van circa 80 cm. Aan de bovenzijde zaten deze kettingen vast aan een soort schijf van ongeveer 8 cm doorsnee waarop een ring was aangebracht om het geheel te kunnen ophangen. Een tweede kleinere ring op deze schijf zat vast aan een vijfde ketting die door een gat in de schijf naar beneden liep en bevestigd was aan het deksel dat hiermee op en neer gehaald kon worden.

Het maken van rook geschiedde als volgt. De misdienaar tilde het wierookvat op tot borsthoogte en stelde op deze manier de priester in staat, een van te voren al aangestoken stukje houtskool met wierook te bestrooien. De veelkleurige wierookkorrels werden bewaard in een glanzend gepoetst koperen bakje.

Het bakje leek op een juskommetje en was voorzien van een dekseltje dat je met de duim omhoog kon klappen. Onder zacht gesis begon zich de zoete, harsige rook te verspreiden waarvan de geur zo kenmerkend was voor de katholieke eredienst destijds. Even kenmerkend overigens als het flauwvallen en misselijk worden van die wierook. Wanneer ik voelde dat ik zelf misselijk werd, liep ik bleek de kerk uit en wachtte tot iemand naar buiten kwam om me te vragen hoe het met me ging. Meestal werd ik naar oma gestuurd of naar een tante die dichtbij de kerk woonde. Tegen de tijd dat ik daar aankwam was de misselijkheid al voldoende gezakt om te genieten van de thee, de koekjes en de snoepjes die me werden voorgezet.

Vooral de beginnende misdienaar raakte nog al eens verstrikt in de ratelende kettingen en moest dan door de pastoor of door een collega-misdienaar worden bevrijd. Was de zaak eenmaal onder controle dan kon worden begonnen met de bewieroking van altaar, misdienaars en gelovigen. Dit gebeurde door korte zwaaibeweginkjes te maken met het opgetilde wierookvat in serietjes van drie, afgewisseld met een korte buiging. De rook ontsnapte in pufjes door gaatjes in het deksel en verspreidde zich indringend geurend als een nevel door de kerk. Was de pastoor uitgezwaaid dan droeg hij het vat weer over aan de misdienaar die op zijn beurt de pastoor bewierookte.

Het was een actief bestaan, het misdienaarschap. Alleen tijdens de preek kon je op een bank opzij van het altaar gezeten even ontspannen om je heen kijken.

Slechts één keer per jaar speelde je een passieve rol en wel tijdens de `voetwassing' op Witte Donderdag vlak voor Pasen. Dit ritueel verwees naar het wassen van de voeten van de discipelen door Jezus Christus. Maar de voetwassing door Maria Magdalena die deze vervolgens met haar eigen haar afdroogde, maakte destijds diepere indruk op ons. De pastoor die onze voeten waste zou ook zonder tonsuur niet over voldoende haar hebben beschikt om dit kunstje na te doen.

Gezeten op de bank hielden wij onze rechtervoet boven een grote schaal waarover de pastoor uit een kan een scheutje water goot en vervolgens de voet afdroogde met een witte doek. Uiteraard was de voet door moeder thuis al grondig geschrobd met een harde borstel en groene zeep.