Voorvechter van democratie

Het kabinet heeft Max van der Stoel (74), oud-minister van Buitenlandse Zaken, voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Vrede. Dit gebeurt in verband met zijn jarenlange grote inzet voor mensenrechten en minderheden.

Over de voordracht, die vóór vandaag moest zijn ingediend en waarover het kabinet op 22 januari een besluit nam, beslist het Nobelcomité te Oslo in oktober.

De PvdA'er Van der Stoel is sinds 1992 de eerste Hoge Commissaris voor de Minderheden van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Van die functie, met als werkterrein voor discrete diplomatie vooral de vroegere communistische landen in Midden- en Oost-Europa, wil hij volgend jaar afscheid nemen.

Van der Stoel zei zaterdag voor de NOS-radio ,,zeer vereerd'' te zijn door de voordracht van het kabinet. Hij zei ook zich ervan bewust te zijn dat het Nobelcomité meer kandidaten zal krijgen voor zijn jaarlijkse vredesprijs. Tot nu toe heeft één Nederlander de Nobelprijs voor de Vrede ontvangen, de rechtsgeleerde T. Asser in 1911.

Vorig jaar deelden de Noord-Ierse vredesonderhandelaars John Hume en David Trimble de prijs. Beroemde vroegere winnaars zijn onder anderen Martin Luther King, Willy Brandt en Henry Kissinger samen met de Noord-Vietnamese onderhandelaar Le Duc Tho.

Van der Stoel, geboren in 1924 te Voorschoten, studeerde in Leiden (doctoraal rechten 1947, doctoraal Vrije Studierichting 1953). Hij sloot zich daarna aan bij de PvdA, waarvoor hij bij de Wiardi Beckmanstichting (1953-'58) werkte en internationaal secretaris was (1958-'65). Hij was minister van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Den Uyl (1973-'77) en in het tweede kabinet-Van Agt (1981-'82) en staatssecretaris in het kabinet-Cals (1965-'66).

Van der Stoel zat drie jaar in de Eerste Kamer (1960-'63) en dertien jaar in de Tweede Kamer (1963-'65, '66-'73 en '77-'81). Van 1983 tot '86 was hij Nederlands permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, waarvan twee jaar in de Veiligheidsraad. Van 1986 tot '92 was hij lid van de Raad van State.

Als voorvechter van democratie en mensenrechten raakte Van der Stoel voor het eerst internationaal bekend toen hij, als lid van de Tweede Kamer, eind jaren zestig voor de Raad van Europa een vernietigend rapport schreef over het Griekse kolonelsregime (1967-'74). Dat rapport droeg ertoe bij dat Griekenland eind 1969 uit de Raad van Europa verdween. Ook als minister, in 1973, bleef Van der Stoel de Griekse dictatuur kritiseren.

Actief was hij ook voor de Tsjechoslowaakse dissidenten van Charta '77. Zo protesteerde hij openlijk toen Václav Havel, de huidige Tsjechische president, voor de zoveelste keer door het toenmalige communistische regime was gearresteerd. Latere eredoctoraten van de universiteiten van Praag en Athene en de vernoeming van een plein in Athene naar Van der Stoel herinneren aan die activiteiten.

In zijn eigen partij werd de overigens behoedzame Van der Stoel in de jaren zeventig en tachtig door de linkervleugel (Nieuw Links bijvoorbeeld) geregeld gekritiseerd wegens zijn Atlantische houding en opvattingen. Zo verloor hij in de PvdA-fractie in de Tweede Kamer eind 1979 in de kruisrakettendiscussie het woordvoerderschap, omdat hij het oneens was met de onvoorwaardelijke afwijzing van die raketten door zijn partij. Eerder had hij een aanvaring met het PvdA-bestuur, toen dat zich bij monde van de toenmalige voorzitter mevrouw Van den Heuvel in Oost-Berlijn uitsprak voor erkenning van de DDR.