Versplintering

`Dayton' moet in Kosovo de oplossing brengen, zo lijken de leden van de Contactgroep voor Joegoslavië te hebben gedacht. Breng de strijdende partijen op één plaats, ver van het oorlogsgebied, bij elkaar, dwing ze te onderhandelen tot er binnen een van tevoren bepaalde tijd een akkoord is bereikt en beloof troepen om die overeenkomst vervolgens te helpen handhaven. Voor Dayton lees Rambouillet, de strijdende partijen zijn ditmaal het Servische regime en opstandige Kosovaren en voor de Amerikaanse bulldozer-diplomaat Holbrooke is de Britse minister Cook in de plaats gekomen.

Het grootste verschil zit 'm in de situatie `op de grond', zoals dat in militaire termen heet. Waren destijds in Kroatië en Bosnië de Serviërs op de vlucht voor een, door Holbrooke aangemoedigd, gecombineerd offensief van Kroaten en moslims, in Kosovo hebben de Serviërs afgelopen najaar bewezen de overhand te hebben zolang de internationale gemeenschap hun niets in de weg legt.

De NAVO dreigt met luchtbombardementen voor het geval partijen geen gehoor geven aan de oproep van de Contactgroep. Erg overtuigend klinkt dat niet. Het is algemeen bekend dat de Contactgroep diep verdeeld is over het gebruik van geweld om vrede te forceren. Bovendien, hoe zou de NAVO de verspreid opererende opstandelingen vanuit de lucht moeten dwingen naar het Franse conferentieoord te komen? Maar waarschijnlijk komen de afgezanten toch wel. De gang van zaken in Bosnië heeft bewezen dat een akkoord en de toepassing ervan twee heel verschillende dingen zijn.

VOOR DE LIDSTATEN van de NAVO en voor andere landen die troepen willen sturen, is het belangrijkste dat eerst de wapens tot zwijgen worden gebracht. Dat betekent dat tussen de strijdende partijen demarcatielijnen worden getrokken en wapenvrije zones worden ingesteld. De vrede kan dan langs die lijnen en in die zones worden gewaarborgd. Dat is in ieder geval een succesvol bestanddeel van het Dayton-akkoord gebleken, maar het vervolg is ook in Bosnië open gebleven.

Politiek gesproken is de internationale gemeenschap een stukje opgeschoven. Pleitte zij aanvankelijk voor een vorm van autonomie voor Kosovo binnen de Servische republiek, nu streeft zij gelijkwaardigheid na aan Servië en Montenegro binnen de Joegoslavische federatie, met een overgangstijd van drie jaar. Dat is minder dan de onafhankelijkheid die de opstandigen willen, het is veel meer dan president Miloševic tot dusver wenste toe te staan.

LANGZAAMAAN WORDT Joegoslavië uitgekleed van de veelvolkerenstaat die het was bij zijn ontstaan na de Eerste Wereldoorlog tot een etnisch en religieus zuivere Servische provincie. In rest-Joegoslavië wonen behalve de Kosovaren van Albanese afkomst ook nog een minderheid aan Hongaren. Ook in Montenegro zijn er separatistische tendensen en Servië zelf kent een islamitische minderheid. De internationale gemeenschap loopt achter de ontwikkelingen aan in de stille hoop dat ergens de versplintering als vanzelf zal ophouden. Miloševic heeft met zijn gewelddadig streven naar een groot-Servië het tegendeel bereikt.