Schitterende film over moorddadige poppenspeler

Als het International Filmfestival Rotterdam de zwerm bedelaars rond het Schouwburgplein net zo'n topomzet bezorgd heeft in het weekeinde als de plaatselijke middenstand, dan kunnen ze misschien een kaartje kopen voor een van de vele festivalfilms over zwerfkinderen en thuislozen. Geprojecteerd op een groot scherm wekken de lotgevallen van bij voorbeeld een aan lager wal geraakte Italiaanse kapper en een goedmoedige reus in Brussel (Frédéric Fonteyne's Max & Bobo) of de alcoholistische zoon van een politieagent (Jan Schütte's Fette Welt) bijna per definitie de sympathie van de kijker, maar echt grote filmkunst levert het niet op.

Uit de publieksenquête om de Citroën Award (na het weekeinde aangevoerd door Ken Loach's My Name Is Joe) blijkt dat films over zielige mensen hoger worden gewaardeerd dan die over naarlingen. Daarom loopt een groot deel van het publiek ook mokkend weg bij een belangrijke en vernieuwende film als Philippe Grandrieux' Sombre. Hoofdpersoon is een door Frankrijk trekkende poppenspeler, die niet kan communiceren en de ene na de andere vrouw oppikt, om haar tijdens het vrijen te vermoorden. Grandrieux maakt het de kijker moeilijk om zich te identificeren, door de inhoud van het verhaal, maar ook door de woeste vormgeving. Hij hanteerde zelf de camera, die voortdurend in beweging blijft en onscherpe, subjectieve impressies vastlegt. Toch verlaat de film af en toe het universum van de seriemoordenaar en contrasteert dan wreed met het zo mogelijk nog treuriger burgermansbestaan van onder meer de toeschouwers van de Tour de France. Er is zelfs een uitweg, een bevrijding door echte liefde, die de hoofdpersoon woedend terzijde schuift. Sombre is een schitterende en schokkende film, die ook een nieuw soort esthetiek ontwikkelt, met een effect dat te vergelijken valt met het schandaal dat in 1929 Buñuels Un chien Andalou verwekte.

De Nederlandse producent René Scholten presenteerde in het weekeinde maar liefst twee nieuwe speelfilms. Ondanks de vele verschillen zijn Rosemarie Blanks Vaarwel Pavel en Marion Hänsels The Quarry (een coproductie met België en Frankrijk) beide trage, zwaarwichtige films die alleen imponeren door de onderhuidse meerwaarde van de beelden. Het half in Rotterdam, half in St. Petersburg, geheel Russisch gesproken Vaarwel Pavel schiet heen en weer tussen een Russische journalist die in Nederland een netwerk in vrouwenhandel onderzoekt en daar langzaam zelf in verstrikt raakt, en de volwassenwording van zijn puberzoon. Het scenario laat veel te raden over, maar de kracht zit in de desolate sfeer en de vaak in hoekjes van het kader verstopte achtergronddetails. The Quarry van de Belgische Marion Hänsel is een eigentijdse Zuid-Afrikaanse western met politieke ondertonen, waarvan het wat magere verhaal allure krijgt door het voorbeeldige camerawerk van Bernard Lutic en een geraffineerde geluidsband. Voor geen van beide films hoef je je te schamen, maar beide zijn gedoemd tot op z'n best een marginaal succes.