Regeringspartij Spanje ontdoet zich van imago

De regerende conservatieve Spaanse Partido Popular kondigde dit weekeinde aan naar het midden op te zullen schuiven, naar analogie van de Britse Labourpartij. De partij wil daarmee trachten haar sterke positie te consolideren.

Partido Popular spiegelt zich aan succes Blair en gaat van rechts naar het midden

Gezeten boven een reusachtig decor van een ellyptisch toelopend noordelijk halfrond met Europa, achter een pion-vormig spreekgestoelte, de vinger profetisch geheven en uitvergroot tot indrukwekkende proporties op de kolossale videoschermen. Als een postmoderne caudillo hamerde José María Aznar, premier en aanvoerder van de regerende Partido Popular (PP), de afgelopen drie dagen zijn boodschap er in tijdens het congres van zijn partij. Voortaan is de regerende partij van Spanje niet meer rechts en conservatief, maar gematigd in het midden. ,,Wij zijn niet meer wie we waren'', predikte de partijleider.

Het gaat goed met Aznar. Drie jaar geleden riep hij nog grote twijfels op in eigen kring en werd hij door zijn politieke tegenstanders ronduit weggehoond als een slechte imitatie van Charlie Chaplin. De besnorde man met een duistere blik in de ogen, een griezelig grinniklachje en een onaangenaam dreunende toon in zijn toespraken. Internationaal was hij ook niet erg representatief: Aznar ontbrak op de familiefoto van staatsleiders bij een Europese top omdat hij, zo bleek later, nog op het toilet zat.

Maar vriend en vijand is het lachen inmiddels wel vergaan, want José María Aznar zit stevig in het zadel. Volgens de laatste enquêtes heeft zijn partij een redelijke voorsprong op de socialistische oppositie. De werkloosheid in Spanje is afgenomen, het land rolde moeiteloos de Economische Monetaire Unie binnen, Spanje groeit economisch meer dan gemiddeld, er is een akkoord met de vakbonden en zelfs de Baskische afscheidingsbeweging ETA heeft voorlopig haar terreurmoorden opgeschort.

De sfeer op het partijcongres was dan ook genoeglijk, zo niet zelfgenoegzaam. Het ene voorstel na het andere werd met nagenoeg honderd procent steun van de aanwezige partijleden aangenomen. Zo werd besloten dat de Partido Popular vanaf heden een middenpartij is geworden, het electorale speelveld dat tot voor kort werd gedomineerd door de socialistische PSOE. Aznar probeerde de afgelopen dagen te breken met het restant aan reactionair verleden dat zich nog altijd in zijn partij ophoudt. Groot-Brittannië geldt daarbij als lichtend voorbeeld: waar vroeger menig PP-politicus nog een portretje van Margaret Thatcher in de kast had staan, spiegelt Aznar zich bij voorkeur aan de Britse premier Tony Blair. Wat deze met Labour vanaf links deed, wil Aznar met de PP vanaf de rechterzijde doen.

De premier gaat daarbij nogal autocratisch te werk. Zelfs naaste medewerkers wisten niet wat Aznar precies bedoelde, toen hij eerder deze maand ontkende dat er aan zijn kabinet gesleuteld zou worden, maar anderzijds wel liet doorschemeren dat hij een aantal ,,beslissingen'' zou nemen.

Die beslissingen zijn inmiddels genomen. Minister van Onderwijs en Cultuur Esperanza Aguirre — bij satirische programma's uiterst geliefd vanwege haar innemende onnozelheid — werd verbannen naar de post van voorzitter van de Senaat. Huilend nam Aguirre afscheid van haar ministerie.

Belangrijker is dat ook minister van Sociale Zaken Javier Arenas het veld ruimt: hij wordt de nieuwe secretaris-generaal van de partij. In die laatste beslissing toont Aznar zich een behendig strateeg. Tien jaar lang was de huidige vice-premier Álvarez Cascos als secretaris-generaal de sterke man binnen de partij. Als uitgesproken conservatieve en agressieve houwdegen in het debat, stond hij ook wel bekend als ,,Terminator'' of ,,Doberman''. Dat werd als dienstig ervaren in tijden van oppositie tegen de toenmalige socialistische premier Felipe González, maar is nu enigszins achterhaald. De videoschermen in de congreszaal registreerden feilloos hoe `Terminator' het even te kwaad kreeg toen hij door de premier langdurig het graf werd ingeprezen.

De Andalusiër Javier Arenas is in alles het tegendeel van zijn voorganger. Een innemende persoonlijkheid, open voor dialoog. Als minister kreeg Arenas gedaan wat niemand voor mogelijk had gehouden: het sluiten van een duurzaam akkoord met de vakbonden. Als beloning mag hij nu het imago van de partij gaan renoveren. Een promotie waarmee Aznar zich bovendien op uiterst elegante wijze ontdoet van een minister die misschien net iets te veel in het voetlicht trad naar de smaak van de premier.

Onbetwiste winnaar van het partijcongres was evenwel de Catalaanse minister van Industrie Josep Piqué. Met gepast gevoel voor timing maakte Piqué — tot dusver partijloos minister — bekend te zijn toegetreden tot de Partido Popular. Het nieuwe partijlid werd prompt benoemd in het bestuur. Geen wonder, want sinds hij eind vorig jaar tot de officiële regeringswoordvoerder is benoemd, geldt Piqué bij uitstek als het nieuwe, moderne gezicht van het huidige kabinet. In tegenstelling tot zijn voorganger, wiens bijeenkomsten niet zelden ontaardden in scheldpartijen tegen de pers, is Piqué een soepele en diplomatieke prater. En als lokale stemmentrekker kon Aznar nog wel een Catalaan gebruiken.

De nieuwe regeringswoordvoerder bevalt zelfs zo goed, dat de premier bereid lijkt enige vuiltjes op diens blazoen ruimhartig door de vingers te zien. In december raakte bekend dat het bedrijf waar Piqué tot zijn ministerschap de scepter zwaaide vorig jaar plotseling meer dan 110 miljoen gulden aan speciale staatskredieten kwijtgescholden kreeg. In het parlement is inmiddels, uiteraard vergeefs, verzocht om een onderzoek wegens mogelijke belangenverstrengeling.

Aznars Partido Popular hoeft zich vooralsnog niet druk te maken over dergelijke storende details. De socialistische oppositie heeft nog steeds niet de juiste toon getroffen en zit bovendien in haar maag met zijn vroegere leider Felipe González. De komende verkiezingen, die uiterlijk volgend jaar en misschien zelfs nog wel in 1999 worden gehouden, ziet premier Aznar blakend van zelfvertrouwen tegemoet.